Letterlijk: Een trilling, een pulsering. In vedānta wordt er wel de zelf-evidentie van schijnend bewustzijn mee aangeduid. Geen geobjectiveerde, cognitieve zelfkennis (pratīti), geen subtiele ervaring (anubhava) van het zelf, maar dat wat beide mogelijk maakt is sphura of sphuraṇa.
- sphura
Het is leerzaam deze drie te kunnen onderscheiden in onszelf. Aham sphuraṇa is de levend aanwezige, schijnende 'ik ben' voor er enige ervaring (anubhava) ervan of gedachte erover (pratīti) plaats vindt. Vandaar dat het ook wel zelf-schijnendheid (svayam prakāśa) of zelf-evidentie (svataḥ siddha of svayam siddha) genoemd wordt.
We zouden kunnen zeggen, na kennis is het dat wat automatisch zichzelf onthult en daarmee ' is' . Het is vergelijkbaar met de onmiddelijkheid en directheid van de begrippen aparokṣa anubhūti; die onmiddelijke beleving (anubhūti) de waarheid te zijn 'vooraf aan perceptie en afleiding daarvan' (a para ikṣa): aparokṣānubhūti.
Pratīti is in deze vergelijking dat wat verschijnt. Spura(ṇa) is dat wat doet verschijnen. Pratīti is het gekende dat aan de kenner verschijnt. Het komt van prati + √i 'ernaar toe gaan' . Het is de cognitie van een ervaring die geobjectiveerd/ vastgesteld wordt.
Anubhava tenslotte is in dit verband de levende visie, die correcte zelfkennis oplevert. Zoals ādi śaṅkara -bhagavatpādaḥ stelt: 'Brahma jñāna (zelfkennis van bewustzijn) moet anubhava siddhi zijn' , een evidente, geleefde visie op het bestaan. Vanzelf aanwezig in de mind in plaats boeken kennis (śāstra jñāna). Kennis die zelf gehanteerd wordt, niet tweedehands ontvangen. Het is iets directer dan pratīti, maar nog wel met tussenkomst van de mind.