Hiermee bedoelen we natuurlijk het enige zelf. Het zelf is de enige grond van objecten die niets anders zijn dan zichzelf. Vandaar deze uitdrukking, ‘alles verschijnt in mijzelf (nija)’.
In dakṣiṇāmūrti stotram vers 1 komt nijāntargata als volgt voor:
viśvaṃ darpaṇadṛśyamānanagarītulyaṃ nijāntargataṃ
paśyannātmani māyayā bahirivodbhūtaṃ yathā nidrayā
yaḥ sākṣātkurute prabodhasamaye svātmānamevādvayaṃ
tasmai śrīgurumūrtaye nama idaṃ śrīdakṣiṇāmūrtaye
“Hij die op het moment van realisatie zijn eigen onveranderlijke Zelf ervaart – waarin het Zelf alleen de rol speelt van het universum van namen en vormen – is als een stad die in een spiegel wordt gezien, dankzij de maya-kracht alsof deze van buitenaf is ontstaan, zoals in een droom. Voor hem, de goddelijke leraar, Sri Dakshinamurthi, is deze buiging”.
- nijantargata
Van binnen gegaan (antargata), in jezelf (nija). Gezegde om uit te drukken dat alle objecten van de wereld (viśva) in het zelf verschijnen.