Onderscheidingsvermogen. Het onderscheid tussen wat permanent (nitya) is, het zelf, bewustzijn, brahman, ātma, en wat niet permanent (anitya) is, niet-zelf, objecten (nitya anitya vastu viveka).
- viveka
Op ons pad naar helderheid hebben we viveka in alle nuances van het kennismiddel en het leven nodig. Steeds is het nodig om zaken op hun eeuwige ware natuur (svarupa) te waarderen.
Viveka is één van de vier hoofdkwalificaties (sādhana catuṣṭaya) voor vrijheid. Het is het herkennen dat de tijdloze, oneindige werkelijkheid (dat wat echt bestaat, bewustzijn) satyam is, de waarheid, en al het andere mithyā is, afhankelijk, schijnbaar, tijdsgebonden, eindig, veranderlijk.
Dit vermogen om duidelijk en accuraat onderscheid te maken tussen waar en onwaar (echt en schijnbaar) is de eerste en belangrijkste kwalificatie die nodig is voor zelfkennis.
Onderscheidingsvermogen werkt op twee manieren:
1. Relatief. Het corrigeert het beeld, dat de wereld over mij gaat als persoon, terwijl ik niet meer dan mijn bescheiden rolletje speel, om bij te dragen. Het corrigeert mijn oordelen op basis van persoonlijke voorkeuren en afkeren, die ik op de wereld projecteer waardoor ik in een fantasiewereld leef in mijn mind (prātibhāsika). Een illusoire slang (angst) heeft bijvoorbeeld geen eigen bestaan en behoort tot een andere orde van de werkelijkheid dan het touw (realiteitszin) waarop in de beleving is geplaatst. Voor ik in aanmerking kom voor absoluut onderscheidingsvermogen en vrijheid, zal ik eerst moeten onderscheiden wat zich werkelijk afspeelt in de empirische wereld (vyāvahārika) volgens īśvara's dharma (neutrale wetmatigheden van psyche en natuur). Gebrek hieraan zal allerlei persoonlijke projecties opleveren, ten op zichte van met name andere mensen. Of angst of verlangen projecteren op wereldse objecten (voorkeur en afkeer). Dit verdoezelt het feit dat de wereld en het gedrag van mensen onderhevig is aan neutrale wetmatigheden.
2. Absoluut. Het corrigeert de fout die kan ontstaan doordat iets van een andere orde van de werkelijkheid over t echte origineel wordt heen gelegd (superpositie). Door aanvankelijk te onderscheiden tussen de ziener en het geziene, zie ik wat echt is en relatief echt. Verschijnende objecten hebben geen eigen, echte bestaansgrond. Dat is voorbehouden aan hun substraat bewustzijn.
Voor zelfrealisatie zijn er dus twee soorten viveka nodig: onderscheid tussen het echte (satya) en het relatief onwerkelijke (mithyā) en hoe deze twee zich tot elkaar verhouden (absolute viveka, jñāna yoga), en het onderscheid tussen wat wel en niet gedaan moet worden (relatieve viveka, dharma, karma yoga).
Deze zijn tevens twee vormen van kennis, jñāna. Zuiver bewustzijn is niet tegengesteld aan onwetendheid. Het is ongestoord en onbeïnvloed door onwetendheid. Alleen onderscheidende kennis, kennis in de vorm van viveka, is tegengesteld aan onwetendheid. Onwetendheid en de kennis die het wegneemt, bevindt zich exact op het niveau van het intellect (buddhi) van de kenner van de waarheid. Zowel onwetendheid en kennis bestaat bij de gratie van de waarheid, ikzelf als vrij bewustzijn. Dit helder herkennen is de hoogste vorm van viveka.
Viveka gaat samen op met vairagyam (objectiviteit, afstand doen van betrokkenheid). Om scherp te kunnen onderscheiden op alle vlakken moet mijn geest kalm, zelfstandig en neutraal zijn.
Zoals eerder gesteld wordt viveka wel gedefinieerd als: nitya anitya vastu viveka. Het onderscheid tussen realiteit die permanent (nitya) zijn (bewustzijn, brahman, ātma, ikzelf) en wat niet permanent is (verschijnselen, objecten, waaronder mijn geest, lichaam en ik-gevoel).
Viveka, onderscheiden, is altijd voorlopig, ‘tijdelijk’, omdat de realiteit non-duaal is (advaita of advaya). Als ziener en geziene gescheiden zijn, moet begrepen worden dat hun verhouding een non-duale satya-mithyā relatie is. Mithyā (alles wat verschijnt) is satya, maar satya is vrij van mithyā. Vrijheid is alleen komen te staan als de totale, volle oceaan van vrij bewustzijn, ook al zie je (door verschijning) zintuigelijk verschillende zaken. Maar ook de zintuigen verschijnen en verdwijnen, met hun aangehaakte objecten.
De wijzen zien zonder twijfel alles hetzelfde (nirvikalpa samādhi), als gewaarzijn, ik. Het belangrijkste onderscheid (viveka) is tussen subject en object (viṣayaḥ), ziener (dṛg) en zicht (dṛśya) of kenner van het veld (kṣetrajña) en het veld (kṣetram).
Nogmaals, eerst wordt viveka gebruikt om mezelf te onderscheiden van de objecten (viṣayā). Dan treedt kennis in en stelt: De objecten zijn niet echt, afhankelijk van mij, maar ik ben onafhankelijk van objecten.
In elk methode (prakriyā) wordt wel een concept van viveka toegepast, bijv.:
• adhyāropa-apavāda-viveka-prakriyā
• avasthā-traya-viveka-prakriyā
• dṛg-dṛśya-viveka-prakriyā
• kāraṇa-kārya-viveka-prakriyā
• pañca-kośa-viveka-prakriyā
• śarīra-traya-viveka-prakriyā
• sṛṣṭi-viveka-prakriyā