Een materiële (upādāna) oorzaak (kāraṇa) die schijnbaar op duizelingwekkende wijze (vivarta) een object (het effect) creëert, zonder dat de intrinsieke natuur (bewustzijn) van de oorzaak veranderd. Het is dus schijnbare oorzaak en gevolg, geen werkelijke.
- vivarta upadana karana
Als de kenner dit weet, is de mind in kennis, als de kenner dit niet weet is de mind onwetend.
Voorbeelden aan de hand waarvan deze begrippen worden gedoceerd uit de relatieve werkelijkheid zijn parelmoer dat op zilver lijkt, of een touw dat op een slang lijkt. In het eerste geval wordt latente hebzucht getriggerd, doordat men denkt dat het zilver is dat glinstert. Maar het blijkt het zonlicht te zijn op dat op de parelmoeren Abalone-schelp schijnt.
In het geval van een slang in plaats van een touw is er een basisangst aanwezig en wordt er een slang gesuperponeerd op een brontouw. Degene met een neutrale mind, zal gewoon weten wat hij ziet (vyāvahārika satya of īśvara-realiteit), en ondervindt verder geen onrust. Degene met een subjectieve blik (prātibhāsika satya of jīva-realiteit) zal steeds weer in de vivarta trappen, in de schijnbare verandering van een emotionele geest.
Een beter voorbeeld is het element lucht, dat in een hete omgeving als een woestijn een mirage (of een fata morgana) kan opleveren in de geest van de kenner, door trillingen in de lucht, tezamen met de subjectieve beleving vanwege bijvoorbeeld verlangens als dorst of behoefte aan verkoeling. De mirage blijkt niet echt. Net zo blijken alle verschijnselen nadat kennis zijn werk heeft gedaan, niet echt, maar materiële spiegelingen van mijzelf, oneindig bewustzijn.
Een hologram is een mooi modern voorbeeld. Het lijkt zeer echt wat aan onze zintuigen wordt voorgespiegeld. De kennis dat het een hologram is, stelt ons vrij van de voorstelling.
Zoals het geval is bij alle methodologieën, inclusief vedānta, schieten alle voorbeelden tekort om de waarheid uit te drukken. Dit is hoe je vivarta upādāna kāraṇa in het licht van de waarheid kan begrijpen:
Naast vyāvahārika en prātibhāsika, de schijnbare, relatieve niveaus van de werkelijkheid, is er maar één werkelijk niveau van de werkelijkheid, namelijk pāramārthika satyam. Dit is de oorzaak. Het komt erop neer dat je in elke verschijning en verandering van de verschijning, bewustzijn ziet, omdat je het weet (kennis). De verandering (pariṇāma) van bewustzijn in materie is niet echt maar een tollende illusie (vivarta).
Deze oorzaak (het substraat bewustzijn) en het gevolg (elk zichtbaar of onzichtbaar object) behoren namelijk tot verschillende orden van de werkelijkheid. De een is echt, de ander afhankelijk echt (mithyā). Dit komt omdat het gevolg helemaal geen werkelijk gevolg is, maar feitelijk gewoon het origineel blijft. In onwetendheid baseren we onze (relatieve) waarheden op zintuiglijke waarneming en de afgeleiden daarvan. De uitdaging voor zelfrealisatie is dus niet werkelijk ingaan op wat de zintuigen voorspiegelen. Dit is lastig voor een levende wezen met zintuigen en gevoel etc. Maar het is de kennis van het origineel (jezelf) dat voldoende is om vrijheid te brengen.
Brahman is vivarta upādāna kāraṇa, omdat brahman-bewustzijn de namen, vormen en functies lijkt aan te nemen waarin wij leven. Maar het is geen echte verandering. Het is schijn, vivarta. Ten eerste blijft alles afhankelijk van het bewustzijn, ten tweede zijn alle objecten eindig en vergankelijk, terwijl de oorzaak oneindig hetzelfde blijft.
Kijk maar naar diepe slaap, anesthesie of coma. Bewustzijn is volkomen aanwezig, maar zonder ervaringen. De objecten zijn weer in het zelf als māyā-prakṛti ‘verdwenen’.
Een aardig voorbeeld is māyā-īśvara dat als een spin (ūrṇanābhi) een potentieel aan webdraden (ūrṇāni) in zijn buik (letterlijk navel, nābhi) gebruikt om een web te spinnen. Bepaalde spinsoorten verspreiden hun web vanuit hun eigen lichaam en 'eten' (nemen) het weer op in hun lichaam als dat nodig is. Net zo spint god een schijnbare matrix in zichzelf, uit zichzelf.
Dit voorbeeld wordt gebruikt om de stap van ongemanifesteerde māyā naar gemanifesteerde īśvara uit te drukken. Maar in werkelijkheid is de reeks van veranderingen cit -> māyā -> īśvara schijnbaar (vivarta).
Zuivere kennis of intelligentie noemen we de efficiënte oorzaak (nimitta kāraṇa) van het bewustzijn, dat schijnbaar een spelletje met zichzelf speelt. Er is dus een intelligente kenniscomponent (nimitta) en een materieel-energetische component (upādāṇa), maar beide zijn vivarta, schijnbare veranderingen voortbrengend, geen echte.
Zoals een droom die niet echt blijkt te zijn. Dit is de reden waarom één van de betekenissen van vivarta 'draaikolk' is. Het drukt het duizelingwekkende saṁsāra, causale keten van dood en geboorte. Bewustzijn neemt blijkbaar in oneindige veelvoud, materiële vormen aan op basis van oneindig zuivere kennis, terwijl het bewustzijn zelf (ik!) onveranderd blijft.
Ik ben dus de oorzaak van materie, maar verander in materie in een ontologische relatie die satya-mithyā is (onafhankelijk-afhankelijk, onvergankelijk-vergankelijk en onveranderlijk-veranderlijk). In de wetten van īśvara's schepping (īśvara sṛṣṭi) is pariṇāmi upādāṇa kāraṇa het geval. Dit betekent dat in de empirische werkelijkheid (vyāvahārika) elke vorm verandert in een nieuwe vorm (pariṇāma), zonder enig waarde-oordeel, maar volgens dharmische, consistente wetten.
Voorbeelden van pariṇāmi upādāṇa kāraṇa zijn een jong lichaam dat oud wordt. Melk dat tot boter wordt gekarnd. Het zijn onomkeerbare processen. Ook een atoom dat tot ontploffing wordt gebracht, keert niet terug naar zijn gecomprimeerde energievorm.
Maar op het ware (alleen in werkelijkheid) niveau van de werkelijkheid (pāramārthika, dat wat voorbij is aan doelen, artha's en effecten, kārya's) is brahman nog nooit veranderd. Bewustzijn, de enige werkelijkheid, is oneindig vredig, stil en vrij. Daar kan geen kernmacht of kali yuga verandering in brengen.