Projecterende kracht. Rajas, de naam van de activerende kwaliteit van māyā, geeft aanleiding tot de vikṣepa śakti die door zijn projecterende kracht de schijn van een externe wereld opwerpt.
- viksepa shakti
Op microschaal houdt dit verband met de onrust om iets te moeten doen en de handelingskracht, de kriyā śakti van een persoon. Zo in de hemel zo op aarde. Elke kracht van īśvara, heeft zijn weerslag in de jīva.
Door vikṣepa śakti komen de objecten die van de materiele kwaliteit tamas zijn gemaakt, (verband houdend met de verhullende kracht āvaraṇa-śakti) in beweging, en projecteren een werkelijkheid in of op ātmā. Dit heet superpositie (adhyāropa), en leidt tot het valselijk (adhyāsa) toekennen van geldigheid aan mijn lichaam en geest en zaken in de wereld.
Haha, nu komt het: Er verschijnen pas objecten buiten het lichaam, als de zintuigen en de mind actief zijn, en er worden pas gevoelen en gedachten beleeft, als de mind actief is. Aangezien bewustzijn geen ruimte is, is ‘alles altijd en overal’, dus oneindig aanwezig in potentie. Daarom heeft mithyā een relatie van substantie met satya, niet van kwantiteit of iets dergelijks, zie mithyā. Dit betekent dat mithyā satya is, ze zijn alleen samen satya.
Omdat de zintuigelijke instrumenten, organen, en de hersenen, en de mind actief zijn, wordt het object aangezien voor wat het niet is (onwetendheid, avidyā). Door de wetten van afgestemd karma van de jīva's, licht een samenhangend gebeuren op uit bewustzijn. Maar in principe, of beter in potentie is alles tegelijk mogelijk. Dat is wat Arjuna zag toen Kṛṣṇa-īśvara zich toonde in zijn totale ongemanifesteerde vorm viśvarūpa in hoofdstuk 11 van de Bhagavad Gītā. Arjuna kreeg daar eventjes een goddelijk oog (divya cakṣu, dit is geen derde oog, want daarmee wordt bedoeld het cognitieve wiel van kennis, ajña cakra).
In het leven is de afstemming karma-verschijning soms spontaan verstoord of verruimd. Denk aan sommige psychische aandoeningen zoals psychose of schizofrenie, spirituele epifanie, of paranormale-vermogens. Dit kan ook bewust opgezocht worden met drugs. Denk aan hallucinaties en kosmische ervaringen bij gebruik van Ayahuasca. Dit soort ervaringen zijn een tipje van de sluier van de mogelijkheden, maar daarmee niks bijzonders. Het valt gewoon in de categorie ervaring. De singulariteit en synchroniciteit van īśvara verklaart waarom bewustzijn non-duaal is. Het draagt oneindig veel mogelijkheden tot projectie in zijn pure intelligentie. Zo kan het moeiteloos in één knal een kosmos projecteren in of op zichzelf.
De grap is dat de natuurkunde ook in dit soort termen spreekt. Voorbeelden: Big Bang-singulariteit: ‘Dit is het moment waarop het heelal volgens de theorie van de oerknal begon vanuit ‘een toestand van oneindige dichtheid’ en temperatuur’’.
Of zwaartekrachtsingulariteit: ‘In het centrum van een zwart gat bevindt zich een zwaartekrachtsingulariteit, een punt waar de kromming van de ruimte-tijd ‘oneindig wordt en de bekende natuurwetten, zoals die van de relativiteitstheorie, instorten''.
Ik weet niet of de lieve lezer wel eens van Schrödingers kat heeft gehoord. Dat bevestigt de rol die de waarnemer speelt bij het vaststellen van een object. De natuurkundig Schrödinger had het volgende, beetje gruwelijke gedachten-experiment. Een kat in een gesloten doos, waar een foefje in is geïnstalleerd om de kat te vergiftigen. Zolang de doos dicht blijft, kan de kat volgens Schrödinger dood en levend tegelijk zijn. Pas zodra het deksel van de doos genomen wordt, en er een waarnemer is, wordt vastgesteld of de kat dood is (vergiftigd), of levend. Hij wilde hiermee de absurditeit van gedragingen van kwantum-deeltjes laten zien.
Dat deeltjes zich werkelijk zo gedragen, wordt steeds vaker aangetoond in de moderne natuurkunde. Waar het allemaal om draait, is dat een deeltje binnen de kwantummechanica niet per se precies een bepaalde plek heeft. Men legt dat dan zo uit: Zolang je niet waarneemt waar een deeltje zich bevindt, is er slechts sprake van een kansverdeling: je hebt zoveel procent kans dat het zich op plek A bevindt, zoveel procent kans dat het zich op plek B bevindt, enzovoort. Het bevindt zich, in natuurkundige termen, in een superpositie (!), een combinatie van meerdere mogelijke posities. Neem je het deeltje vervolgens waar, dan verandert die superpositie ogenblikkelijk in een enkele positie.
Trek je dat idee van de deeltjeswereld door naar de wereld om ons heen, dan krijg je het kattenverhaal van Schrödinger. Vedānta trekt de uitkomsten van deze wetenschappen door, om de oneindigheid van bewustzijn via māyā, te rijmen met ons leven. Het stelt dat waarneming, objecten manifesteert: dṛṣṭi (de ziener) sṛṣṭi (schept). Sṛṣṭi is natuurlijk geen echte creatie, het is schijnbare projectie, veroorzaakt door de schijnbare kracht vikṣepa.
De waarneming van een object betekent dus dat zodra ik iets ga beleven of waarnemen, er zoveel versluierende kracht (āvaraṇa) aanwezig, is dat waar ik mee te dealen heb, een behapbare brok wordt. Waarom? Wel in onwetendheid lijkt er een eindeloos cyclisch gebeuren te zijn, genaamd saṁsāra. De krachtbron daarvan is eerdere karmische druk van angsten en hunkering. De grap is dat het in nou eenmaal schijnbaar in werking is gezet. Jīva's koesteren vanuit hun onwetendheid verlangens naar objecten of angsten voor objecten, die ook cyclisch veroorzaakt zijn door eerder verhulling en projectie. En dus blijft īśvara ze faciliteren. De enige mogelijkheid om hieruit te komen, is de kennis dat projectie slechts schijn is, geen echte creatie of evolutie. Creatie en evolutie spreken elkaar ook niet tegen. Ze zijn beiden niet werkelijk waar, maar als we projectie of verschijning even creatie noemen, dan verloopt de creatie van saṁsāra onder andere volgens īśvara's biologische evolutiewetten.
Vikṣepa śakti is het middel (niet de oorzaak, de schijnbare oorzaak van elk schijnbaar effect is bewustzijn) waardoor gedachten in de geest ontstaan.
Vikṣepa-śakti is drievoudig:
• jñāna śakti – de kracht om te weten
• icchā śakti – de kracht om te verlangen
• kriya śakti - de kracht om te handelenVanuit bewustzijn-māyā (māyā is niet los te zien van bewustzijn) hebben alle objecten hun basis in kennis (jñāna). Wordt deze kracht gereflecteerd in de mind van een individu, dan geeft dit kenvermogen. De kracht dat ik iets kan weten over zaken in de wereld, maar ook het vermogen om via kennis de waarheid te begrijpen, en dus de kracht om onwetendheid te verwijderen.
Weet ik iets over een object, dan kan ik ernaar verlangen (icchā śakti). Deze gereflecteerde icchā śakti kan zelfs een verlangen naar vrijheid opleveren (mumukṣutva) en een verlangen naar kennis (jijñāsu). Wie wil weten wat dit leven nou eigenlijk is, komt er gaandeweg achter dat alleen kennis vrijheid kan brengen, via een verlangen om dit soort dynamieken te begrijpen. Rajas, de guṇa 'achter of onder’ vikṣepa, wordt dan heilzaam aangewend om mijn verlangen naar wereldse zaken te sublimeren naar een verlangen naar waarheid en vrijheid.
Dit verlangen kan vervolgens leiden tot het activeren van handelingsvermogen (kriya śakti). Hiermee ga ik relaties aan in de wereld, en deze dynamiek houdt de geest van het individu extravert. Met alle psychologische projecterende tendensen van dien. Deze projectie zal zich overactief richten op uiterlijke zorgen, verlangens en emoties. Existentiële onrust is het gevolg.
Vikṣepa komt zo tot uiting in de opwinding, afleiding, onoplettendheid en niet-verbonden gedachten die voortkomen uit de manifesterende, verstrooiende en woelende activiteit van macro vikṣepa śakti. Allerlei zaken worden gesuperponeerd op de mind, waardoor ik mijzelf allerlei problemen aanpraat, terwijl ik eigenlijk 0% met de wereld te maken heb.
Geboren uit de rajas van māyā, is vikṣepa ook een van de vier hindernissen voor meditatie – de andere zijn: kaṣāya (latente emotionele problemen), laya (slaap, sloomheid) en rasāsvāda (gehechtheid aan het fijne gevoel, de stilte van meditatie, waardoor men daarin blijft hangen).