Mediteren op īśvara, die alle kracht, alle kennis is. Het is mediteren in devotie, en de wereldlijke verschijning aanschouwen als een wonder. Dit zal de geest kalmereren en verruimen.
- upasana yoga
Śaṅkara beschrijft upāsana in het algemeen als: Dichtbij (upa) (āsana) het meditatieobject (upāsya) zitten. Wat bevindt zich dicht bij het meditatieobject? De geest (manas). Wat is het object? Alle objecten zijn īśvara, die alle kracht, alle kennis is. Upāsana yoga betekent daarom begrijpen wat īśvara is, het geheel, en dat de jīva, het individuele levende wezen, daar een onderdeel van is. Deze beoefening, samen met karma yoga, zal de geest voorbereiden om te beseffen hoe je gelijk bent aan īśvara, als de gemeenschappelijke drager van beide: Bewustzijn, Brahman.
Waar karma yoga de activiteit (karma) is van het hele wezen (sarvabhavena, het subtiele en grove lichaam), is upāsana yoga de activiteit (vyāpāra) van de geest (manas) of, breder, van het hele subtiele lichaam, waarbij het grove lichaam slechts de activiteit is van het instrumentele brein ten dienste van het subtiele lichaam.
Upāsana yoga wordt daarom formeel gedefinieerd als saguṇa brahma viṣaya mānasa vyāpāraḥ, een mentale (mānasa) activiteit (vyāpāraḥ) waarvan het object (viṣaya) saguṇabrahma (bewustzijn met kwaliteiten) is.
Beide (karma en upāsana yoga) leiden je door het heilige concept van īśvara, naar kennis van het oneindige zelf. Dit gebeurt door te beseffen dat alle schijnbare eigenschappen van de werkelijkheid, veroorzaakt door de mithyā-kracht van māyā, tot īśvara behoren. Wat is de functie hiervan?
Deze activiteiten maken liefdevolle toewijding (bhakti) los. Deze houding maakt me kalm en scherp. Dan zie ik dat lichaam en geest deel uitmaken van het levende wezen (jīva), dat deel uitmaakt van alle geesten en lichamen (īśvara).
Omdat ik een zeer beperkte keuzevrijheid heb op het gebied van leven en wereld, en zie dat īśvara alles beheerst, ontdek ik dat ik geen jīva kan zijn. Dan ben ik gekwalificeerd. Als mij dan kennis wordt bijgebracht, zal ik mijn volledige wezen herkennen.
Een vers dat upāsana yoga aanmoedigt en zelfkennis aankondigt, is Bhagavad Gītā 12.8:
mayyeva mana ādhatsva mayi buddhiṃ niveśaya |
nivasiṣyasi mayyeva ata ūrdhvaṃ na saṃśayaḥ ||"Richt je geest volledig op mij, laat je intellect in mij rusten. Als je dat doet, zul je zeker in mij verblijven, zonder enige twijfel."
Meditatie is bij uitstek ook het trainen van focus, omdat men de mind eenpuntig richt (ekāgratā) op een onderwerp.
Upāsana en dhyāna zijn op zich synoniemen in de betekenis meditatie. Hoewel de term upāsana iets specifieker gebruikt wordt voor Vedāntische meditatie (waarbij bijvoorbeeld ook pūjā of mantra's worden aangewend zonder hardop te reciteren), en dhyāna mede bekend staat als term voor alle soorten meditatie.
Upāsanam vermindert mala (onzuiverheid van geest) en vikṣepa (agitatie, projectie, rusteloosheid en extravertheid van de geest).
Karma yoga (samen met eventueel beoefening van aṣṭāṅga-yoga) zuivert de geest. Gecombineerd met upāsana-yoga wordt eenpuntigheid en verruiming van de geest bereikt. Wanneer het wordt gebruikt als een voorbereidend middel voor zelfkennis, wordt upāsana beoefend om voldoende focus en subtiliteit van geest te ontwikkelen (door mala en vikṣepa te verminderen) om de leer goed te kunnen horen en begrijpen in śravanam. En om helder te kunnen reflecteren (manana) en contempleren (nididhyāsana) op de kennis.
Wat is de kennis?
Alles zien als bhagavān, de heer is upāsana of dhyāna. Weten dat alles bhagavān is, gelijk mijzelf is jñānam, kennis. Conclusie: Er is alleen maar Bhagavān, er is alleen maar zelf.Upāsana (en karma-) yoga zijn dus noodzakelijk om via kennis volheid, vrijheid, alleenheid, oneindigheid te zijn.
Tot slot. Er worden technisch wel twee soorten upāsana's, meditaties beschreven. De eerste is duaal, en een voorbereiding op zelfkennis, de tweede gaat al wat meer richting nididhyāsana.
I. Sampat upāsana. Dit type meditatie is tot nu toe beschreven: Meditatie (upāsana) op iets groots, op iets overvloedigs of weldadigs (sampat). Bij deze vorm van meditatie wordt een bepaald object als meer beschouwd dan het is.
Het object kan een bloem zijn, een steen, een gebeeldhouwde vorm (een murti), het kan (van) alles zijn. Wat het gekozen object ook is, de geest beschouwt het als īśvara. Op deze manier wordt iets groters over een gewoon object heen gelegd. Deze manier van kijken, deze beschouwing, is de basis van veel aanbidding en gebed in India. In de rivier, in een boom, in een steen, alles kan een object worden van mijn devotie.
Eigenlijk kunnen we niet eens zeggen dat een persoon een stukje god is. God is namelijk één, non-duaal. De manifestestatie van het goddelijke is ook één, namelijk één groot systeem, waar alles bij hoort. Neem je één zogenaamd onderdeeltje weg, dan is alles weg, want er zijn geen onderdelen. Dit is moeilijk voor te stellen.
Maar het alles zien als bewustzijn of god is terecht. Hoe dan? De relatie van een object met bewustzijn is er niet een van tijd, ruimte of afmeting. Bewustzijn is namelijk geen tijd, ruimte of afmeting. De relatie tussen een deelobject (vyaṣṭi) en de totaliteit (samaṣṭi) is er één van substantie!
Elk object blijkt niks anders te zijn bewustzijn, en dat heeft geen afmetingen, nog delen. Dat is de waarheid achter īśvara. We kunnen een object afpellen tot bewustzijn, en dat is nou eenmaal ]onverdeeld (akhaṇḍa). Een houten tafel kunnen we zien als hout, als moleculen, als atomen, als quantumdeeltjes, als informatie, als kennis, als pure kennis, als bewustzijn. Er is maar een bewustzijn, en dat is geen ruimte of tijd of materie. Alles wat ik zie is dus op dezelfde manier bewustzijn. In de manifestatie is een deelobject een deel van de kosmos, of een gedachte een deel van de universele mind (hiraṇyagarbha). Maar in werkelijkheid is er geen verdeling of opdeling.
Wat is de verbluffende conclusie hier: degene die weet ziet, in elk object de oneindigheid van zichzelf. Hier kan op gemediteerd worden. En dit maakt de meditatie op een object, een brandende kaars of zo, heel spannend.
Dit overal de oneindigheid in zien is wat anders dan werkelijk zintuigelijk alles tegelijk zien uiteraard. Dit komt kenbaar voor in mystieke visoenen of in het viśvarūpa-visioen van Arjuna in de Bhagavad Gītā. Maar een dergelijk (psychotisch) visioen is helemaal niet nodig om te weten dat alles enkelvoudig goddelijk is.
In het verhaal De Aleph van Jorge Luis Borges, beschrijft Borges dat de ik-persoon 'weet' dat er een punt is in de kelder van het huis dat hij bezoekt, waarin alles zit. Ik citeer: 'Op dat ene punt zag ik, zonder enige vervorming of overlapping, het gehele universum: het grote en het kleine, de hemel en de aarde, alle sterren, alle beschavingen, en ook mijn eigen gezicht, in datzelfde ogenblik waarin ik naar de Aleph keek.'
Parallel hieraan de viśvarūpa darśana yoga (De Yoga van het Zien van de Universele Vorm) van Arjuna in Bhagavad Gītā Hoofstuk 11. In dit hoofdstuk onthult Śrī Kṛṣṇa zijn Viśvarūpa (universele vorm) aan Arjuna, waarin Arjuna het hele universum, met alle werelden, goden, tijd, dood en oneindige manifestaties, tegelijkertijd ziet.
Vers 11.13 beschrijft Arjuna’s ervaring van het allesomvattende zicht:
sa tatraikasthaṃ jagat kṛtsnaṃ pravibhaktam anekadhā |
apaśyad devadevasya śarīre pāṇḍavas tadā ||Daar zag de zoon van Pāṇḍubinnen het lichaam van de God der goden (Kṛṣṇa), het hele universum verenigd op één plaats en verdeeld in vele vormen.
Zoals bekend, toen hij het mooie zag, was hij vervuld, toen hij het verschrikkelijke zag, was hij in afschuw en wilde ervan af.
II. Ahaṅgraha upāsana. Meditatie (upāsana) waarbij de mediterende zijn identificatie verlegd van het individuele zelf met het universele zelf (ātmābrahman). Letterlijk "het grijpen (graha) van het (waarlijke) ik (aham).
Wat je praktisch doet is het benoemen van alle aspecten van de jīva als brahman. Mijn lichaam, mijn hand wordt gezien als brahman, mijn lichaam, mijn geest, alles wat ik voorheen 'ik' noemde, wordt door mij gezien als brahman. Mijn leven, mijn omgeving, de anderen om mij heen etc.
Zo verleg je je identiteit van kleine ik naar 'alleen maar ik'. Zo worden ahaṅkāra en brahman gelijkgesteld. Alleen zal dit niet zomaar gaan.
Omdat elke meditatie een activiteit is, ben je op dit niveau nog een doener, een ego, ahaṅkāra.
In deze sādhana (oefening) is ahaṅkāra, ego, waarschijnlijk nog niet goed genegeerd. Dus is het geen echte nididhyāsana (contemplatie).In nididhyāsana is de tegenstelling tussen mediterende (doener) en waarop gemediteerd wordt (het gedane) teniet gedaan. Dus weten dat ik brahman ben, het enige dat is, is iets anders dan de persoon zien als brahman.