Letterlijk: ‘in zijn volledigheid (ā) erbij (upa) geplaatst (dhi)’. Dat wat schijnbaar zijn attribuut overdraagt aan een nabijgelegen ontvanger, een upahita, dat geconditioneerd lijkt, maar er in werkelijkheid vrij van blijft. Dat wat erbij lijkt geplaatst (upādhi) is niet-zelf, dat waar het bij geplaatst is (upahita) en erdoor geconditioneerd lijkt is zelf. īśvara upādhi is māyā. Jiva’s upādhi is ajñāna, onwetendheid.
- upadhi
Het beroemde voorbeeld: Als een blauwe lotus dicht bij een helder kristal wordt gebracht, lijkt het kristal (de upahita) blauw. Het kristal heeft van zichzelf geen kleur, maar 'lijkt' 'blauw' te worden, en zo de eigenschap van de upādhi blauwe bloem aan te nemen. Maar het kristal blijft intrinsiek gewoon puur, kleurloos. De blauwe bloem zouden we een manifesterend medium voor blauwheid kunnen noemen. De upādhi in dit voorbeeld is de bloem, niet de blauwheid ervan. Het kristal is dus nooit blauw geworden en toch leek dit even zo. Net zo neemt bewustzijn, wat je bent, per definitie geen eigenschap aan.
De upādhi van puur bewustzijn is māyā, de mysterieuze, potentiële kracht, die een kosmos doet verschijnen met levende wezens erin. Daarom leren we wat een upādhi is. Maar een upādhi is niet echt, aangezien er niks anders dan bewustzijn is. De upādhi en het object dat zijn eigenschap afgeeft zijn mithyā. Het lijkt allemaal maar zo. En zo is onwetendheid de upādhi voor bewustzijn in het individuele geval. Ook dit lijkt maar zo.
Voor iemand die denkt dat zij of hij een individu is, is de upādhi onwetendheid. Zodra onwetendheid weggenomen wordt, is diegene vol en puur. Tot die tijd, zal precies die upādhi lijken in te werken op bewustzijn, al naar gelang het karma van dat vermeende individu.
Doordat bewustzijn eindeloze pure kennis is, kan het gemakkelijk lijken dat het de individuele beleving van onwetendheid aanneemt, in de gedaante van de drie lichamen (causaal, subtiel en grof). Na zelfkennis blijkt het niet waar te zijn. Dan verandert de upādhi onmiddellijk van onwetendheid in kennis. Blijkbaar kan bewustzijn schijnbaar upādhi's manifesteren in zichzelf. Het enige wat ik moet doen, is niet in de verschijning van upādhi's trappen, er geen relatie mee aangaan, er geen waarde aanhechten, dan de waarde van het heil, de zaligheid en de genieting van de totaliteit van mijzelf. En dus de genieting van het zelf.
Upādhi is een zeer effectief les-instrument, het ideale kennismiddel om de verhouding upādhi upahita te begrijpen. Ik ben de upahita, de enige, non-duale vrije drager van schijnbare objecten, die schijnbaar kenmerken, functies, attributen in mij projecteren. Omdat ze afhankelijk van mij zijn, ben ik permanent vrij. Upahita lijkt in letterlijke betekenis op upādhi, omdat upādhi betekent 'er dicht bijgeplaatst'. Als de upādhi dichtbij is dan is de upahita er ook 'dichtbij geplaatst'.
De drager bewustzijn (uphita) blijft onaangetast, zuiver en puur, welke upādhi er ook in en aan verschijnt. De upadhi, zijn eigenschappen en de geconditioneerde beleving die ik ervaar zijn mithyā, veranderlijk, vergankelijk en afhankelijk waar. Niet echt, satya. Ik, bewustzijn kan dus in werkelijkheid niet geconditioneerd raken. Het hoeft alleen cognitief gescheiden te worden omdat de objecten blijven verschijnen, ofwel blijven optreden als upādhi's die mij schijnbaar, maar niet echt, beïnvloeden.
Het type verschijning dat blijft verschijnen na zelf-kennis wordt sopādhi (sa upādhi, met upādhi) genoemd. Als lesvoorbeelden worden gebruikt: Een mirage die echt lijkt, de hemel die blauw lijkt, de zon die lijkt op te komen, een stok die lijkt te buigen in water. Essentiele conclusie: Ik bewustzijn, blijf puur, ongeacht welk object van māyā (de basis-upādhi) ook in mij verschijnt. Ik heb kennis nodig om te weten dat wat ik waarneem niet echt is, maar slechts ‘attributen’ van de upādhi māyā.
Deze fout die ontmanteld wordt, zodra ik de onwerkelijkheid van objecten die blijven verschijnen (sopādhika adhyāsa) ontdek door het te weten, wordt ook jñāna (kennis) adhyāsa genoemd. De fouten blijven ervaren worden, en ik heb kennis nodig om te weten dat ze niet onafhankelijk bestaan, maar bewustzijn zijn.
Nirupādhi is een upādhi die zich door subjectieve beleving (pratibhāsika) manifesteert. Deze komen voort uit diepe onwetende dynamieken als angst of verlangen. Zoals bijvoorbeeld een slang wordt gezien in een touw bij de put, of een begeerlijke potentiële partner wordt gezien als een object dat mij geluk gaat brengen. Zodra ik het object ken zoals het is, verdwijnt dit type upādhi (nir-). Dan zie ik alleen nog touw. Of dan zie ik een partner alleen nog als iemand waarmee ik mijn eigen geluk kan vieren (de beste insteek voor een succesvolle relatie), zonder erin verwikkeld (verstrikt) te zijn. Dan kan ik (in ieder geval een van beide jīva's ) de ander zelfstandig en zuiver ontmoeten. It doesn't take two- voor een succesvolle relatie- to tango. Een vrije, zelfstandige jīva is genoeg. Waarom? Omdat deze jīva weet, dat er geen relatie is, en daarom zal deze jīva de ander altijd gelijk kunnen geven als dat nodig is, en zo kunnen accommoderen (de waarde kṣānti).
Nirupādhi's ontstaan, omdat ik denk dat de wereld bedreigend of begeerlijk is voor mij. Omdat ik denk dat de wereld echt is, voel ik me bedreigd of stoot de wereld me af.
De waarheid is dat ik, als het intrinsieke zuivere licht van de schijnbare wereld, geschaad (akṣata van akṣara) noch geraakt (asparśya) wordt door eigenschappen van de schijnbare wereld.
De drie lichamen (śarīra traya) of de vijf lagen van de persoonlijkheid (pañca-kośāḥ) zijn de upādhi's voor een mens, veroorzaakt door onwetenheid. Māyā is de upādhi voor īśvara. Jñāna zegt me dat het niet zo is. Dan kan ik zijn wat ik ben.
De vertaling voor upādhi die wel eens gebruikt wordt, als 'beperkend of conditionerend hulpmiddel of toevoegsel' is misleidend omdat de beperking die door de upādhi wordt gesuggereerd niet werkelijk is.