Het woord tapas is afgeleid van de Sanskrietwortel tap, wat “verhitten” of “schijnen” betekent. Het verwijst in brede zin naar hitte, soberheid en spirituele discipline, en mind-control.
- tapas
De letterlijke betekenis van tapas is hitte, wat symbool staat voor het wegbranden van onzuiverheden of de transformerende kracht van discipline (tapati iti tapaḥ) "Dat wat verhit of zuivert is tapas."Ook kan hitte betekenen de opbouw van energie, door het niet weg te pissen in de wereld. Dit verbindt tapas met de spirituele of innerlijke hitte die wordt gegenereerd door praktijken zoals meditatie, boetedoening en soberheid.
Bekend is de tapas meditatie, waarbij geoefend wordt in extreme situaties zoals ongekleed mediterend in het oord (ālaya) van de sneeuw (hima) de Himalaya. Wat dit betreft zijn bijvoorbeeld de ijs-baden van de ice-man Wim Hofman een populistische afgeleide van de boeddhistische tummo (equivalent van tapas is 'gtum mo' in het Tibetaans) in met name de vajrayāna (vajra betekent o.a. bliksemschits, diamand, hardheid) traditie. Een van de technieken is het visualiseren van een innerlijk vuur, waardoor het bijna naakte lichaam op temperatuur blijft in een ijskoude omgeving. Dat de manifestatie van kennis van, in dit geval hitte, hier een rol bij speelt, blijkt verderop in de vedāntische visie op het woord tapas.
In yogische en tantrische praktijken komt het er dus op neer om de potentie tot energie in de wereld bij je te houden. In het geval yoga, met alle tapas naar binnen gericht, ter disciplinering van de mind, om aborptie in bewustzijn (samādhi) te bereiken, wat geen vrijheid is, maar een staat of toestand van tijdelijke afwezigheid van objecten. In het geval tantra het verkrijgen van vereniging met het goddelijke, door verbindingsoefening waarbij tapas wordt opgebouwd, bijvoorbeeld door het niet klaarkomen bij sexuele 'verbinding'. Hiermee wordt bindend vāsanā-verlangen milder gemaakt, bij voorkeur niet bindend. Zie dat yoga en tantra voor vedānta voorstadia zijn van vrijheid, geen middelen om vrijheid te verkrijgen, omdat beide 'een disciplinerend doen' als beoefening hebben, wat zin heeft als voorbereiding op vrijheid, maar geen vrijheid kan geven. Waarom niet. Vrijheid is 'in' de orde waar nooit actie geweest is. Dit kan alleen geweten worden: Vandaar jñāna-yoga. Wat voor functie hebben yoga en tantra wel? Yoga voor met name het disciplineren en leren focussen van de mind. Tantra als equivalent van karma yoga in het verbinden met īśvara en kwalificaties als het terugtrekken en controleren van de zintuigelijke ervaring, en het aanpassen en beheersen van lichamelijke verlangens, en het controleren van levensstijl.
Tapas kan ook lijden of het doorstaan van moeilijkheden betekenen als een vorm van zuivering en versterking van iemands wil en vastberadenheid. Dat heet santāpas, gelijk aan de verdraagzaamheid die in vedānta titikṣā of sahana heet.
Maar de uitleg van het woord tapas kan tot grotere diepten reiken. Dit heeft te maken met het feit dat hoe 'dichterbij' de waarheid, hoe onafhankelijker en meer onaantastbaar, lees 'vrij!' je bent. Daarbij wordt tapas gezien als de ongemanifesteerde, subtiele kracht en macht van kennis. Tapas is op deze manier alles wat de mind onder meer controle brengt. Dit valt min of meer samen met de zes soorten beoefening van de derde kwalificatie van sādhana catuṣṭaya, de śamādi ṣaṭka sampatti.
In de eerste helft van vers 1.1.9 van de Muṇḍakopaniṣad duikt het woord tapas op de volgende manier op: yaḥ sarvajñaḥ sarvavidyasya jñānamayaṃ tapaḥ. In de vertaling van Svāmi Dayānanda: ‘Die (brahman) is alle kennis in het algemeen (sarvajñaḥ) en alle specifieke kennis in detail dat staat te manifesteren. Zijn (īśvara) tapas is alleen maar kennis.' Hij legt dan uit dat net als een jīva zijn kennis van objecten visualiseert in de droomtoestand, īśvara ook ‘als het ware’ kennis visualiseert. Waarom manifesteert kennis? Omdat door het karmisch-cyclische wiel van verlangen van levende wezens (jīva's), het perfecte evenwicht van pure kennis verstoord wordt, en de uitgebalanceerd guṇa-mix van māyā uitéénvalt in schijnbare materie. Saṁsāraḥ is de geoliede samenwerking tussen īśvara en jīva. Onwaar, maar perfect functionerend volgens intelligente wetmatigheden.
Net als in het vorige vers 1.1.8 wordt het woordje tapas hier aangewend in de betekenis van ‘kennis’. Dit is interessant. In het kort: Kennis is het meest subtiele dat er is. Bij pure kennis kun je al niet meer van subtiel spreken. Daarom is kennis tapas, vuur, warmte, het meest machtige, in de zin van ‘meest bepalende’ dat er is. Niets is er zonder, dat je er weet van hebt. Daarom is ‘het ín vrijheid zijn’ van de jñānī, zo'n totaal onaantastbare ‘positie’. Daarom hoeft brahman, in zijn schijnbare vorm īśvara, alleen maar kennis aan te wenden, zich ook maar iets 'voor te stellen’, en het manifesteert. Er staat: (Voor de creatie is īśvara) ‘jñānamayaṃ’, ‘in de vorm van-’ of gemaakt van kennis. Kennis is daarom ook de macht van een jñānī, een mahatma, altijd onafhankelijk ok te zijn zonder er iets voor te hoeven doen.
Daarom wordt brahman betiteld als īśvara, sarvajña & sarvaśaktiman. Hij die alle kennis, en alle macht heeft, zelfs om zich in ontelbare levende wezens uitéén te laten vallen, schijnbaar. Dit kunnen we ook de totale intelligentie noemen. Het hele universum is zo terug te brengen tot onware manifestatie van de pure intelligentie (bewustzijn, pure kennis, jñapti) van het ene bewuste wezen brahman.