Grofstoffelijk, fysiek lichaam. Opgebouwd uit de tamas-delen van de vijf elementen ruimte, lucht, vuur, water en aarde in hun steeds grover wordende, gerecombineerde (pañcīkaraṇa) vormen.
- sthula sharira
Sthūla śarīra is onderdeel van een systeem waarbij drie lichamen (śarīra traya) worden onderscheiden, waaruit een jīva (een individueel levend wezen) bestaat. Naast sthūla śarīra, het groffe lichaam, zijn dat sūkṣma śarīra, het subtiele lichaam en kāraṇa śarīra, het causale lichaam.
Doel van het noemen van deze lichamen is het aantonen van hun relatieve aard, ten opzichte van hun werkelijke diepere drager bewustzijn. Ze zijn afhankelijk, tijdelijk en vergankelijk en ze worden opgelicht door het stille getuige-bewustzijn, dat je bent. Afhankelijk zijn van bewustzijn betekent in deze zin, ze zijn in hun diepere grond bewustzijn zelf.
Als ik ga onderscheiden, mag ik zeggen: ’ze zijn niet mij op zichzelf’. Vedānta toont aan dat de drie lichamen niks anders zijn dan een verschijning van de diepere waarheid, die ik ben. Dan kan ik ze cognitief verheffen tot mijzelf, het bewustzijn dat ze in werkelijkheid zijn, als golven in de oceaan, die beiden eigenlijk water zijn. Op deze manier (met ons kennis oog) kunnen we ‘door’ de dans van verschillen heen kijken.
Waarom is het grove lichaam tijdelijk en vergankelijk? Nou, het doorloopt zes stadia/ wijzigingen (ṣaḍ bhāva vikāraḥ), dus nooit is er een vaste identiteit waar ik op kan bouwen (ik ben de identiteit, die de stadia doordringt): Eerste conceptie en verblijf in de baarmoeder (asti), geboorte (jāyate) , groei (vardhate), verandering en volwassenheid (vipariṇāmate), aftakeling (apakṣīyate) en vernietiging (vinaśyati).
Het lichaam is de plaats (loka) waar in het verhaal het subtiele lichaam mee verbonden is. Dit is een tijdelijke, karmische psychosomatische ontmoeting, die dag in dag uit, optreedt in de waaktoestand. Waar mijn lichaam ook aanwezig is, zijn subtiele organen als geest, organen van kennis, zintuigen en actie aanwezig. Dit doet māyā, en daarom denk ik dat ik een lichaam of geest ben die de wereld doorkruist.
Als dit verhaaltje eindigt, valt het lichaam uit elkaar, en gaat sthūla śarīra op in de grove kosmos. Sporen van het subtiele lichaam, een pakketje neigingen, verlangen, angsten, reizen door, en worden door īśvara in een nieuwe situatie geplaatst om zich weer te manifesteren.
Zo lijk ik, de zelf (ātmā), via één of andere belevingswereld in het subtiele lichaam, verbonden en gebonden aan het grove lichaam. Maar als ik mijn ervaring goed analyseer, met de kennis van vedānta, zie ik, dat het zich allemaal afspeelt in mij, en dat ik, als bewustzijn alles wel moet doordringen.
Daarbij is het grove lichaam, materieel, en levenloos, inert (jaḍa), en zich op geen enkele manier bewust van dit al. Het subtiele lichaam, waar gevoel wordt ervaren, doordringt het lichaam, en het bewustzijn doordringt beide. Geest en lichaam zijn mij, maar ik ben vrij van geest lichaam. Zo heeft māyā, die factor die de rare toestand van het leven tevoorschijn heeft getoverd, de wereld letterlijk op zijn kop gezet. Dit mag teruggedraaid worden.
Om dit helder te scheiden noemen wijzen in India hun lichaam (sthūla śarīra prapañca) en de wereld (jagat- of sthūla prapañca) in de waaktoestand (jāgrat) daarom ook wel gewoon 'de vijf elementen' (pāñcabhautikāḥ). Dit is een verrijkende vorm van humor. Het helpt bij het enigszins objectief en beschouwend naar het lichaam te kijken. De vijf elementen verschijnen nou eenmaal, so what?