Daarvoor moet ik dus ook vertrouwen hebben in de leraar, die in de vedānta traditie gelukkig de beproefde traditie erkent, volgt en kent, en daarom kenner van de traditie (śrotriya) wordt genoemd.
Vertrouwen is een essentiële kwaliteit van een oprechte zoeker. Dit is een tweetrapsmodel. Eerst heb ik vertrouwen in het kennismiddel. Dan schrijft het kennismiddel voor dat ik volledig vertrouwen moet hebben in de werkelijkheid, in het leven in het bestaan. Waarom? Omdat het īśvara’s orde is. En als ik in vertrouwen bij īśvara’s orde aansluit, zie ik pas hoe prachtig alles werkt. Wanneer er een algemeen vertrouwen is, gaat het leven als een speer.
Śraddhā is de vijfde van een groep van zes verworvenheden, zoals door śankara opgesteld, die helpen de mind tot rust en onder controle te brengen (śamādi ṣaṭka sampatti).
Śraddhā is simpelweg de aanvaarding als zijnde waar, wat guru en śāstra onderwijzen. Dit vindt plaats doordat er herkenning is in de enorme waarde en doeltreffendheid van de teaching. Als ik zo snel mogelijk aanneem wat gezegd wordt, zal ik veel eerder de vrucht vrijheid plukken. Gaandeweg het luisteren naar de teaching, begin ik al vruchten te plukken. Het vertrouwen groeit mee, en ook het zelfvertrouwen. Men kan een kantelpunt vinden in vertrouwen. Als ik de logica eenmaal heb ontdekt, van mijn eigen werkelijkheid, ontwikkel ik een onwrikbaar vertrouwen in de śāstra en in de woorden van de guru. Dan wordt de betekenis als feit wordt beschouwd.
Natuurlijk heb ik daar een integere leraar voor nodig. Vedānta traditie borgt dat, door de volgende criteria: Een advaita vedānta guru heeft geen ander belang dan jou verder helpen. Een vedānta guru verteld de waarheid, en draagt wijsheid over, maar zal geen advies geven.
Voorts hoort een vedānta guru zich dharmisch te gedragen. Als je het gevoel heeft dat de persoon van de vedānta guru in de satsang een te grote rol opeist, is dat discutabel. Het Vedische kennismiddel komt namelijk niet van mensen (apauruṣeya), en is daarom volstrekt objectief. Een goede leraar ziet je als een gelijkwaardige vriend, omdat hij weet dat elke jīva in principe op dezelfde manier in elkaar steekt, en dat zijn leerlingen geen jīva’s zijn maar bewustzijn, haar- of hemzelf. Die vriendschap of liefde voel je wel of niet. En je mag je leraar gerust hierop beoordelen. Dus je hoeft niet bang te zijn in vedānta voor vervelende toestanden in de satsang. Dat heeft ongetwijfeld plaatsgevonden, maar is zeldzaam.
Waarom vertrouwen? Omdat ik ergens moet herkennen dat vrijheid mogelijk is. Degene die het doorlopen hebben, weten hoe het werkt. Is een leven zonder werkelijke angst mogelijk? Ja, dit is mogelijk. Geest en lichaam kunnen heus wel schrikken of iets dergelijks, maar, bij toenemend vertrouwen, zal ik ook in toenemende mate de vruchten plukken vol te zijn, heel en gelukkig. Totdat ik begrijp dat angstgevoelens niets met mij te maken hebben. Dit inzicht versterkt zichzelf. Meer vruchten meer vertrouwen. En door vertrouwen in de kennis, groeit ook mijn persoonlijk zelfvertrouwen in het leven. Het is een opwaartse spiraal.
In eerste instantie is in elke onderwijssituatie een zekere mate van geloof, viśvāsa, noodzakelijk. Maar śraddhā stelt ons in staat afstand te nemen van wat ik dacht te zijn, de kleine ik (ahaṅkāra) of ego. Niet door geloof, nee, door het herkennen van de onberispelijke logica van vedānta.
Van je eerdere ideeën afstappen vergt vertrouwen en moed. Ik moest met mijn vuist op mijn innerlijke tafel slaan. Een streep trekken in mijn leven. Zo niet verder. Ik gooi de boeg om en…, verander mijn levensstijl en…, geef mij over in…, vertrouwen, śraddhā.
Pas als ik de blokkades en het verzet in mijn mind heb opgeruimd, kan ik iets oneindig ruimers en mooiers realiseren. Wanneer de leer helder wordt gehoord, ontstaat avadhāraṇā, foutloos begrip uit overtuiging.
Zuiver horen, zonder weglatingen, vervormingen of toevoegingen, is alleen mogelijk als er respect is voor zowel het onderricht als de leraar (ācāryopāsana). Respect omdat de leraar de teaching (het kennismiddel, pramāṇa) van īśvara vertegenwoordigd. Niet omdat hij zo aardig is, of aardig gevonden wil worden. Nee om mijzelf te dienen. Het enige wat een leraar wil is toewijding aan en volharding in de teaching (pramāṇam pravṛtti en niścaya). ‘Respect en liefde samen is śraddhā’, aldus Dayananda.
- shraddhaVertrouwen. Het onvoorwaardelijke vertrouwen dat als ik mij verbind aan het kennismiddel uit de geschriften (śāstra yute viśvāsaḥ śraddhā) en de leraar die dit correct overbrengt, vrijheid zal volgen.