Kracht. Capaciteit. Potentie. Vaardigheid.
- shakti
Het enige bewuste wezen bij wie alle kracht thuishoort is śaktimān, de machthebber īśvara (bewustzijn + māyā gemanifesteerd). Alles is dat. Het is het idee van kracht en de gever van resultaten (karma phala dāttā).
Hieronder een aantal voorbeelden van krachten, die een rol spelen in de uitleg van vedānta. Het zijn niet meer dan perspectieven om te zien hoe alle kennis, alle kracht zich schijnbaar uitspeelt in de manifestatie van specifieke wezens. Als ik een talent zie, is het dus goed om dat als īśvara's talent te zien. Als ik jaloers ben op andermans capaciteiten, kan ik daar ook īśvara inzien. Als iets mij dwars zit, kan ik daar een uitnodiging inzien iets te leren over īśvara's schitterende krachtmachine de kosmos.
Āvaraṇa śakti, de schijnbaar verhullende kracht, veroorzaakt door de guṇa tamas en de oorzaak van individuele onwetendheid.
Dravya śakti, de potentiële kracht voor materie, gebaseerd op tamoguṇa. Deze kracht is nodig om gezien het gegeven van bewegelijkheid (rajoguṇa) de creatie consistent te houden volgens fysische wetten.
Vikṣepa śakti, de projecterende kracht veroorzaakt door de guṇa rajas, die de hele wereld doet verschijnen van en voor onwetende wezens, omdat het licht van bewustzijn bedekt lijkt te zijn door āvaraṇa śakti. De āvaraṇa śakti in combinatie met karma śakti is jīva's wereld van ervaring, klein en onwetend in relatie tot de alwetendheid en almacht van īśvara. Een mens is in feite bewustzijn, plus een verschijning, maar door āvaraṇa śakti wordt het grootste deel van de gehele schepping (die zelf een projectie, een superpositie is) weg gefilterd. Hierdoor leeft een mens in een ingekapselde wereld, hoewel zijn ware aard als ondersteunend bewustzijn-bestaan identiek is aan īśvara. Māyā is alle krachten en kennis samen, maar dan in potentie.
Icchā śaktiḥ, de kracht om te willen en verlangen. Is onderdeel van vikṣepa-śakti (rajas guṇa), de projecterende, scheppende kracht van māyā-īśvara, en op individueel niveau de oorzaak van extraversie en agitatie van de mind. Er wordt gezegd dat door het verlangen van levende wezens (jīva's) īśvara wetmatig gedwongen wordt resultaten te geven. Om te beginnen verschijnt er een wereld om de verlangens uit te werken.
Kriya śakti, de kracht om te handelen, maken en doen (rajas guṇa). Door kriya śakti kan het individu handelen (met of zonder de heer (śaktimān) in mind, karma yoga: īśvara-arpaṇa-buddhi). En zo de claim op objecten en acties teruggeven waar het hoort.
Jñāna śakti, de kracht om te denken, ontdekken, kennen en onthouden (sattva guṇa). De kracht die zelfkennis ontvouwt ten opzichte van individuele onwetendheid.
Dit uit zich individueel in medhā śakti, het cognitieve vermogen van het intellect (sattva guṇa). Nodig voor de verschuiving van onwetendheid naar kennis, nodig voor zelfrealisatie. Dit intellectuele vermogen tot inzicht en begrip van een individueel mens (een manuṣya, een denkend wezen), mag op een verrijkende manier worden ingezet.