- sattva
De andere twee zijn rajas, de projecterende, bewegelijke energie en tamas, de verhullende, bedekkende, materiele energie. Ongemanifesteerd zijn de energieën zuiver.
Maar gemanifesteerd zijn deze drie gecombineerd, of omgekeerd gezegd: als de drie guṇa's vermengd raken, ontstaat manifestatie. En met manifestatie ontstaat verwarring en onwetendheid in een levend wezen.
Waarom is sattva zo belangrijk? Omdat het de meest subtiele van de drie is, doordringt het de andere drie. Wat is de aard van het subtiele? Wat is het meest subtiel? Wel, ten grondslag aan een gemanifesteerd universum ligt intelligentie, kennis, informatie, net zoals in een eikel de (genetische) informatie ligt die een boom doet groeien, en in zaad en eicel de bijdrage aan het ontwerp van een mens. Sattva is de kennis guṇa.
Meestal schrijf ik deze artikelen in de ochtend. Dan is mijn geest helder (sattvisch). Ik merk dat zodra de dag zich uitrolt, meer en meer rajas en met name tamas mijn geest bezoedeld. De dag wordt verwarrender.
Net zo was sattva voor de oerknal nog puur in māyā en was de verontreiniging met tamas (materie, duister, onwetendheid), als een lont in het kruidvat. Hierbij wordt rajas geactiveerd, die de boel doet exploderen. Dit betekent projectie, superpositie van een bewegende wereld. Rajas is projectie en beweging van tamas, materie. Sattva is het kennisplan. De oerknal was een feit, en de wereld kunnen we zien als de schijnbare uitwerking van de sattvische blauwdruk van īśvara. Met elkaar voeren de guṇa's een dans op van īśvara's wetten van dharma. Wat was īśvara ook weer? Bewustzijn plus zijn eigen māyā, oftwel bewustzijn plus schijnbaar zijn eigen drie guṇa's. Let wel: Bewustzijn blijft puur: Er speelt zich blijkbaar een soort spel in af.
En dus is de wereld niks anders dan schijnbare verontreiniging. Voor lichtende wezens die heel veel sattva in hun systeem hebben, laten we ze deva's noemen (van div, schinen) worden hemelen en werelden gezien als een prettig wonder, zij zijn gelukkig zonder te weten waarom. Voor levende wezens met dominant rajas-tamas is de wereld een nogal verwarrende projectie. Een mens is een soort combinatie van beide. Een mens ervaart het gereflecteerde licht van sattva en de donkerte van tamas, en twijfelt. Maar let wel, net zo als īśvara bewustzijn is met een schijnbare māyā-factor, is een jīva (levend wezen) bewustzijn met een schijnbare onwetende factor hiervan. De jīva gaat zich er karmisch mee bezighouden, en het spel van saṁsāra zet zich voort. Maar de jīva, het schijnbare individuele wezen, is en blijft in werkelijkheid puur bewustzijn.
Het individu lijkt dus opgenomen in deze schijnbare dans van de werkelijkheid. Voor het individu is het daarom zaak zijn subtiele lichaam met daarin het innerlijke instrument voldoende sattvisch te maken, om na de woorden van de veda's en de leraar te herkennen dat het anders is. In een sattvische geest kan zelfkennis verrijzen en rijpen. De zelfkennis die mij laat zien dat ik bewustzijn puur en vrij ben en het māyā-spelletje (māyā līlā) in mij niet is wat het lijkt dat het is. Ook dat ben ik zelf.
Vedānta nodigt uit om het hele panorama van de werkelijkheid te begrijpen. Voor dit begrijpen heb ik sattva nodig, de onthullende energie. Tamas, duistere materie, veroorzaakt onwetendheid, sattva de lichtende energie, kennis.
We zouden kunnen zeggen dat het met sattva innemen op individueel niveau van een correcte kennis-positie, zo goed is als de blauwdruk van de manifestatie waar we het eerder over hadden op macro-niveau. Alleen moeten we niet zeggen: Ik ben sattvisch. Nee, ook satvva maakt deel uit van māyā. Ook sattva is een projectie. Ik ben ook vrij van sattva.
Bovendien staat sattva nooit op zich. Voldoende sattva betekent dat de andere guṇa's ook actief blijven in het individu. We moeten immers als mensen kunnen bewegen (rajas) en slapen (tamas). Het gaat om een dominantie van sattva.
Hiervoor wordt allerhande beoefening aangeraden. Eigenlijk is de hele kwalificatie voor ātma bodha (zelfkennis) gericht op het dominant maken van sattva in het individu, zodat de deken van tamas, die onwetendheid veroorzaakt, gelicht kan worden, en zelfkennis kan stralen, en de zelf, die al zichzelf was natuurlijk, in de god-mens zichzelf weet.
Om te oefenen gebruiken we de kracht en energie van rajoguṇa (rajas). Om ons uit dominant tamas te halen gebruiken we rajas. Alles wat we doen is rajas. Als we mediteren om sattvisch te worden, gebruiken we rajas. Als we mediteren op īśvara (upāsanayoga) gebruiken we rajas voor focus en sattva voor de kennis.
Als we karma yoga beoefenen gebruiken we rajas en de kennis van sattva om de aandacht te verleggen van egocentrisch gebruik van objecten naar een houding van toewijding, accommodatie en neutraliteit door middel van karma- en upāsana yoga.
De viervoudige beoefening (sādhana catuṣṭaya): het trainen van onderscheidingsvermogen (viveka), objectiviteit (vairagya), mindcontrol (śamādi ṣaṭka sampatti) en een alles overstijgend verlangen naar vrijheid (mumukṣutva), is ook bedoeld om sattvisch te worden. We gebruiken al sattva om te weten waar we mee bezig zijn, en daarom is het goed om steeds weer terug te keren naar dit soort kwalificaties voor sattva en kennis. Dan zal bemerkt worden dat de beoefening de volgende beter gaat, scherper en meer onderscheidend is. Waarom? Er straalt meer sattva.
Ook levensstijl en een bewust beoefend en gezond waardenpatroon (dharma) draagt bij aan een overheersend sattvische geest. We willen een verfijnde, kalme, 'knowledgeable' geest een geen zware energie van tamas in ons lichaam. In een bepaald stadium vooral 'nee' zeggen tegen verleidingen die mij wegvoeren van heldere kennis, helpt daar enorm bij.
De uitdaging is dus om de spiegel van de geest zo schoon en sattvisch mogelijk te houden, en daarom sat zo zuiver mogelijk te weerspiegelen. Dit helpt ook bij het beoordelen van situaties volgens īśvara's wetmatigheden (dharma), om je eigen rol daarin te herkennen en af te bakenen (svadharma en svabhava), om neutraal te kunnen denken. Kortom om helder te kunnen voelen, denken en leven.
Veel sattva in het psychosomatische systeem staat gelijk aan goed karma. Daar kun je zelf aan werken! Met de kennis van vedānta kun je daar zelfs heel goed en snel aan werken! Sattva is de mentale atmosfeer waarin je vrijheid herkent wordt. Hoe zou de kennis van de Upaniṣads anders vrij kunnen bloeien zonder frisse helderheid van zieners in spé? Om vrij te kunnen zijn, moeten we eerst goed karma kweken.
Met de kennis van vedānta kan dat dus relatief snel gaan. Maar dan moet men wel een intense, stabiele eed (dṛḍha vrata) in zichzelf nemen, die een intense, stabiele overtuiging (dṛḍha niścaya) oplevert met intense, stabiele toewijding (dṛḍha bhakti) als gevolg.
Wat is de kennis? Mijn persoonlijkheid is slechts een weerspiegeling van en in bewustzijn (cidābhāsa), in mij geprojecteerd vanwege māyā. Ik, bewustzijn, ben er vrij van, omdat de weerspiegelingen niet echt zijn. Een weerspiegeling is slechts een luchtspiegeling, zoals een fata morgana in de woestijnlucht.
Om kennis te laten plaatsvinden, wil ik dus veel sattva in mijn persoonlijkheid. Sattva brengt sowieso al relatief geluk. Ongeacht of je je er nog mee identificeert is een sattvische persoonlijkheid is kalm, evenwichtig, stabiel en vrolijk. Iedereen wil innerlijke rust, dus lang leve sattva!
Sattva is het kennende, onthullende, evenwichtige, neutrale, intelligente aspect van de werkelijkheid (iets dat sattvisch is heet sāttvika). Dus als īśvara vrij zuiver (objectief!) wordt gereflecteerd in mijn geest, is mijn mind overwegend sāttvika. Dit uit zich in eigenschappen als neutraliteit, evenwichtigheid, kalmte, geluk, plezier, kennis-oriëntatie en rechtvaardigheid.
De term sattva is de naam die wordt gegeven aan de kwaliteit van de jñāna śakti, de kracht van kennis die in het individuele geval inschat hoe de schepping ‘te lezen’, en erop te reageren. Het is het vermogen tot weten dat inherent is aan māyā. Het is daarom in het individu de kracht die de waarheid onthuld.
Genoeg sattva is nodig voor levende zelfkennis, omdat de mind (het intellect) helder en subtiel genoeg moet zijn om onwetendheid te laten verwijderen door de subtiele teaching. Sattva weerspiegelt het bewustzijn-bestaan (sat) vrij zuiver, en schenkt daarom een persoon het vermogen tot heldere kennis en het vermogen tot ervaring van geluk zonder er iets voor te hoeven doen.
Maar, een guṇa is ook een kracht die schijnbaar bindt. Een van de betekenissen ervan is ook pees, streng, koord of touw. Een overheersing van sattva betekent dat er vṛtti's in de vorm van plezier en/of kennis ontstaan. Door zich te identificeren met deze vṛtti's (door zich te identificeren met gelukkig zijn en het hebben van de kennis dat ik vrij ben) is er het subtiele gevaar dat de persoon voor geluk afhankelijk raakt van een gevoel van plezier en kennis, en er dus aan gehecht raakt. Dit kan het geval zijn in de spirituele wereld met mensen die veel mediteren en aan yoga doen. Omdat je je al goed voelt, ben je niet meer gemotiveerd voor mokṣa, vrijheid. Het kan zelfs een zekere arrogantie opleveren. James Swartz noemt doet 'De gouden kooi van sattva', of 'vastzitten, blijven steken in sattva'.
Dus pas op: een vrij gevoel, zelfkennis, sattva, vervoerende devotie (bhakti/ karma yoga of duaal geloof) is geen vrijheid. Vrijheid (mokṣa) is ook daar vrij (mukta) van zijn. Vrijheid is ook geen mokṣa. Vrijheid is vrij zijn van elk concept en elk gevoel. Vrijheid is de alles insluitende realiteit zijn, zonder enig idee of attribuut.
Als mijn persoontje een vedānta kennis-freak is, is er de valkuil dat ik blijf steken. Haha, ondergetekende is hierbij verdacht, zo diep als hij ingaat op het kennismiddel. Wat kan gebeuren is dat men gehecht raakt aan de gereflecteerde gelukzaligheid in meditatie, of dus verslaafd aan vedānta-kennis. Omdat sattva zo aantrekkelijk is kan op deze manier ook sattva (schijnbaar) binden, als een...
Meld je aan voor de nieuwsbrief
(verschijnt hooguit enkele malen per jaar)
Eerder verschenen nieuwsbrieven
– oktober 2024 (Dutch)
– october 2024 (English)