Het bestaan, zijn, waarheid.
- sat
Er zijn drie manieren om het absolute brahman uit te drukken. Zijn (sat). Bewustzijn (cit). En Grenzeloosheid-zaligheid (ānanda). Dit zijn drie manieren om te contempleren op één en dezelfde waarheid van mijzelf.
Sat is het bestaan op zich. Het is het bestaansaspect van alles. Er is niks buiten dit bestaan. Er is maar één bestaan. Er is geen niet-zijn, geen niet-bestaan. Alles is dat. Sat is dat wat alle drie de tijden mogelijk maakt (verleden, heden en toekomst). Het is onafhankelijk, onveranderlijk, zonder verdeling en zonder eigenschappen.
Het bestaan is nergens een kenmerk van. En er is niet alleen maar één bestaan, er is alleen maar bestaan, sat. Alleen het bestaan bestaat. Alle vormen van bestaan zijn namen, vormen of tijdelijke modi van dit zuiver bestaan (zoals oceaangolven uitdrukkingen zijn of vormen van water).
Alles en iedereen is dit bestaan. Niemand weet wat het is, iedereen is het ten volle. We weten niet wat het bestaan is, omdat alles wat we waarnemen, waar we gewaar van zijn, en dus kunnen bestuderen, relatief-ware uitdrukkingen zijn van dit sat.
Dit bestaan is gelijk aan bewustzijn. Om te zeggen: 'Ik besta', heb ik bewustzijn nodig. Om bewust te zijn moet ik bestaan. De Veda's zeggen: Sat en cit, bewustzijn zijn synoniem, één substantie. Maar sat is geen leegte. Hoe zouden we dat kunnen zeggen? Het is het volle bestaan waarin alles komt en gaat. Jij bent dat (tat tvam asi) zonder enige moeite en probleem. De moeite en de problemen verschijnen daarin.
Sat en cit worden ook wel anānda, gelukzaligheid, genoemd omdat ze oneindig zijn, het enige dat is. Bij wie zich realiseert dat zij of hij dat is, door middel van correcte zelfkennis, vallen allerlei spanningen en moeilijkheden weg, en deze verlichte persoon proeft glimpen van deze zaligheid. De ervaring van de persoon is evenwel een reflectie van deze zaligheid. Sat, cit, ānanda is niet een discrete ervaring. Immers ervaringen verschijnen aan sat, cit, ānanda. De verlichte persoon weet dat hij sat is, kent de status van de ervaringen van de persoon, maar deze doen hem niks, want zij of hij is deze persoon niet. Ervaringen worden als losse flodders bij de grappige ceremonie van het leven.
De guṇa die een belangrijke rol speelt bij zelfrealisatie is een afgeleide van het woord sat, namelijk sattva. Het is de onthullende kwaliteit van māyā. Wat zoiets betekent als 'zijnde sat'. Het is een reflectie van het licht van sat, zoals maanlicht van zonlicht. Er zijn mensen die sattvisch zijn in hun psychosomatische constitutie, en denken dat ze verlicht zijn. Dit is een valkuil. Verlichting is niet een goed gevoel. Wel hebben we sattva nodig om helder en evenwichtig genoeg te zijn om de waarheid van onszelf te begrijpen. Dus we moeten wel degelijk aan de slag met controle van geest, levensstijl, waarden, devotie, focus etc.
Maar de sattva in de schijnbare persoon is een guṇa en dus subtiele materiele energie. Het is veranderlijk en vergankelijk en afhankelijk van sat. Dit noemen we mithyā, niet echt en niet onecht. Het is als discreet, zelfstandig fenomeen niet echt, het bestaat niet op zichzelf, omdat het in werkelijkheid sat is. Dit noemen we satya, een woord wat gebruikt wordt in vedānta om ontologisch (zijnsleer) te onderscheiden wat echt is en wat relatief echt is. Mithyā is dus in werkelijkheid satya. In werkelijkheid is alles sat, het bestaan zelf.
De nuances en de verschillen tussen sat, satya en sattva moeten begrepen worden voor complete zelfkennis. Sat als absolute zelfkennis. Satya om sat te kunnen onderscheiden van wat afhankelijk echt is (mithyā): alles wat ook maar iets is, objecten. En sattva om te gebruiken voor een harmonieuze, neutrale geest, om de vrijheid van mijzelf te begrijpen (sat zijn). Dan mag alle kennis losgelaten worden.
Je bent overigens ook niet een stukje bestaan, je bent het oneindige, vrije, volle bestaan zelf. De schijnbare kracht van māyā heeft een persoon in een wereld in je doen verschijnen, waarbij je identiteit (tādātmyam) is omgedraaid. Daarom klinkt deze boodschap zo contra-intuïtief en onnatuurlijk.
Maar als we het nader bekijken, snijdt onze beleving geen hout. Je denkt, ja wat denk je eigenlijk? Dat je een ik bent, een ego, maar je kan de vinger er niet precies opleggen. Het heeft iets te maken met een koppeling met dit lichaam. En als je een zoeker bent, zoek je naar iets buiten je, een dimensie, een god. Maar het is precies andersom. Jij bent het attribuut-loze, eigenschaps-loze geheel, noem het brahman, god, en wat je denkt te zijn is gewoon een vergankelijk object. Dit moet begrepen, 'gezien worden als een ziener'. Sat zijn, het bestaan zelf, schijnend als bewustzijn, is moeiteloos en actieloos.
Ook de taal, de syntaxis van grammatica van māyā en dus van mensen, heeft alles omgedraaid, vandaar de verwarring van levende wezens die denken dat ze een onderdeel van het bestaan zijn, of dat ze een specifiek bestaan bezitten, omdat de verschijning zo georganiseerd lijkt te zijn. Maar niemand is een onderdeel. Alleen het geheel is. En het geheel is in werkelijkheid ook niet verdeeld, dus kan ik geen deel zijn.
Als ik zeg: 'Mijn lichaam is', lijkt het alsof het lichaam een individueel bestaan heeft. Maar het zou correcter zijn om te zeggen: 'Sat, het zijn lichaamt’. 'De wereld is', wordt dan: 'is-heid wereldt'. 'Een mens bestaat’, wordt dan: 'het bestaan menst (tijdelijk en schijnbaar, niet echt). Hopelijk stelt dit gerust, want dit geldt ook voor tirannen: 'Sat, dat wat altijd stil en vreedzaam is, tirant (even)'. Net zo voor heiligen: 'Heiligen zijn niet. Het zijn heiligt'. Voor lijdenschap geldt: 'Het zijn lijkt te lijden, maar lijdt niet werkelijk. Zijn is puur. Het geldt eigenlijk voor alles; het geldt voor elk object: 'een tafel is' wordt 'het zijn tafelt'.
Bijna alle mensen denken dus precies recht evenredig verkeerd om. Ik denk dat ik een mens ben die op zoek is naar de vervulling van spiritualiteit. Het is andersom: Spiritualiteit (het bestaan op zich) lijkt tijdelijk verschenen in de vorm van een mens. En is zichzelf schijnbaar kwijt in onwetendheid. Waarom hebben mensen dus een hang naar spiritualiteit? Ze zijn wat ze missen, het zijn zelf.
Als men zegt: ‘Ik ben spiritueel’, of ‘Zij is een spiritueel mens’, bedoelt men daarmee: Van het spirituele type? Of als men zegt: ‘Ik heb een spirituele interesse’. Ja natuurlijk heb ik een spirituele interesse, ik ben namelijk de spirit!. Als ik niet geïnteresseerd zou zijn in mijzelf, kan ik maar beter mee ophouden. Maar dat is het hele punt. Ik kan er helemaal niet mee ophouden. Iedereen is de ene oneindige spirit, sat cit anānda, waarin leven en dood verschijnen. Het bestaan zonder begin of eind ‘is’ gewoon (sādhāraṇa). Dat valt niet op te delen in verschillende (bedha) typen.
Als ik bijvoorbeeld zelfmoord pleeg, verandert er ook niet echt iets. Er zal schijnbaar doorgeworsteld worden, in een nieuw leven. Het is als een computerspel dat ik vroegtijdig afsluit, in de hoop dat het de volgende keer beter gaat. 'Uit zijn lijden verlost'. Daar is iets anders voor nodig, dat overigens hier en nu beschikbaar is: Complete en correcte zelfkennis.
Er valt niks op te geven, dat is het hele punt. Je bent he allemaal voor immer en altijd. Daarom legt vedānta eerst met de puruṣārtha's, de menselijke doelen, uit waarom een mens een ontevreden zoeker is. We zijn ontevreden, omdat we denken dat we niet volledig en volmaakt zijn. En dan zoeken we, meestal met verkeerde strategieën, die het misverstand alleen maar oppompen omdat het ego voedt met bezit, verlangens en angsten. Hoe meer we naar veiligheid zoeken hoe onveiliger we ons voelen.
Voorts: Puur bestaan, het bestaan zelf, is intrinsiek vormloos, en heeft geen limiet. Het is daarom alle kennis, alle mogelijkheden. Zij het in een pure vorm. De pure intelligentie, kan oneindig veel vormen laten verschijnen, zonder zelf te veranderen. Omdat het onbeperkt (ananta) is, is het niets anders dan cit, puur bewustzijn.
Zijn en bewustzijn zijn synoniemen. Eén bewust wezen, brahman. Bewustzijn is, en zijn is bewustzijn. Vanuit het perspectief van jīva, het levende wezen: Om te weten (ervan bewust te zijn) dat ik besta, moet ik er eerst zijn. Om er te zijn, moet ik bewust zijn dat ik ben. Bewust zijn en zijnde bewust heft elkaar op in sat.