Sanskriet. Letterlijk: volmaakt, perfect gemaakt. De taal waarin het kennismiddel tot vrijheid vedānta is geformuleerd in de Veda’s (Upaniṣads), na aan pre-vedische zieners te zijn geopenbaard.
- sanskriet
Wereldwijd wordt saṃskṛta in verschillende doseringen gebruikt voor Vedānta onderwijs. De meest traditionele scholen in India doseren nog volledig in Sanskriet. Lineages als Arsha Vidya, gesticht door Svāmī Dayananda bieden Sanskriet aan in hun curriculum, en maken in de vedānta lessen redelijk veel gebruik van Sanskriet. Maar zelfs daarbinnen verschilt het. Een lerares als Neema, gebruikt het functioneel. Andre Vas ook, maar in zijn lessen worden wel redelijk wat termen gebruikt. James Swartz gebruikt nog minder, maar wel de termen die essentieel zijn voor correct begrip.
Het gaat er om dat er zo effectief mogelijk lesgegeven wordt om de vruchten te plukken van deze schitterende kennis. In principe hoef je geen Sanskriet te kennen om de aard van de werkelijkheid te kennen, met de correcte zelfkennis van dien. Sanskriet kan sommige aspirant-beoefenaars ook afschrikken.
Dat gezegd hebbende blijft Sanskriet de taal waarin het ongeëvenaarde kennismiddel tot vrijheid in is geopenbaard.
Tegenwoordig kunnen mensen die nieuw zijn bij vedānta zelf een leraar kiezen, en daarmee een stijl van lesgeven, met veel of weinig Sanskriet. Enig begrip van Sanskrietterminologie is wel aanbevolen.
Dit komt omdat het Sanskriet gemaakt is om het kennismiddel heel precies te ontvouwen. Er zijn voor termen als karma, dharma, yoga en vele, vele andere begrippen geen equivalenten in andere talen. Dit komt met name omdat veel Sanskrietwoorden gelaagd zijn. Er is een letterlijke betekenis en een bedoelde, ingevouwen (lakṣyārtha) betekenis. De leraar kan deze ontvouwen in je mind. Kennis gaat over het verrijzen van directe betekenis in je mind.
De wetenschap geeft aan dat Sanskriet is geëvolueerd uit een taal die in Centraal Azië moet zijn gesproken, het Proto Indo-Europees. Dit is via nomaden in de stroomgebieden van Indus en Ganges gebracht in Noord-India. Andere nomadische bewegingen brachten deze taal-invloed naar Europa. Vandaar veel verwantschap in vocabulaire, vandaar Indo-Europees.
De traditie zegt: Sanskriet is van goddelijke afkomst, gemaakt om mensen uit onwetendheid te brengen. Deze twee visies hoeven elkaar helemaal niet te bijten. Het wetenschappelijke domein in ingesloten als manifestatie van de werkelijkheid. De wetenschap is zo ook goddelijk.
Saṃskṛta komt van de zaadvorm kṛ ‘maken’. Kṛta is een soort voltooid deelwoord en betekent ‘gemaakt’. Sam betekent ‘vol, wel, heel’. Saṃskṛta wordt dan volmaakt, perfect gemaakt. Sam betekent ook ‘gelijk, of samen’. Dit is geen toeval. Alles komt samen, of is gelijk in de ene werkelijkheid brahman, bewustzijn. Met alle schijnbare eigenschappen heet brahman de ene īśvara. Zowel brahman als īśvara zijn non-duaal, en verschillen ogenschijnlijk van elkaar maar niet werkelijk.
Eén waarheid, één schijnbare maker van de taal Sanskriet, één maker van alles. Alles is perfect gemaakt volgens de onberispelijke wetten van dharma. Kṛ betekent echter ook ‘doen’. Net zoals er maar één zogenaamde ‘maker’ is, is er ook maar één zogenaamde ‘doener’. Ook dat noemen we īśvara.
De taal Sanskriet is opgebouwd uit zaadvormen, dhātu's, een soort zaadvormen van de taal. Deze drukken basis-betekenis uit, waar allerlei afgeleide betekenissen van gemaakt kunnen worden. Hierbij moet ik denken aan de basis-Ideeën van Plato. Het woord dhātu zelf komt bijvoorbeeld van dhā en betekent plaatsen. Wat is er schijnbaar geplaatst (gesuperponeerd, adhyāropa) in de werkelijkheid, alle namen en vormen (nāma en rupa). Met namen bedoelen ze hier taal, labels, concepten.
Ook Vedānta bestaat dus uit concepten, alleen zijn dit concepten die onwetendheid over de waarheid van jezelf wegnemen. Wat gebeurt er als onwetendheid wordt weggenomen? Dan wordt kennis onthuld in de mind die eerder onwetend was. Wat gebeurt er in een mind die in correcte en complete kennis verkeert? Daarin straalt bewustzijn in zijn volle glorie.
Een belangrijke figuur in de geschiedenis van het Sanskriet was de grammaticus Pāṇini. De wetenschap stelt: Pāṇini heeft geïnventariseerd wat er gesproken werd aan Sanskriet in die tijd en dit vastgelegd in zijn (ongelofelijk systematische) tractaat Aṣṭādhyāyī. Dit is een systeem van gecodeerde mantra's die ingenieus naar elkaar verwijzen. Het is een taalkundig werk dat hedendaagse taalkundigen nog steeds versteld doet staan en inspireert.
Het Sanskriet van voor Pāṇini noemen we nu Vedisch Sanskriet. Een taal die nog in ontwikkeling was (de oudere ṛgveda is in een ander Sanskriet opgesteld dan de Veda's daarna). Pāṇini heeft de taal letterlijk vastgelegd. Dit heet het klassieke Sanskriet dat sindsdien niet meer verandert is (een dode taal). Hoogstens worden er tegenwoordig nog woorden uitgevonden voor moderne onderwerpen of objecten. Er zijn een paar gemeenschappen in India die Sanskriet als hun eerste taal zien en cultiveren.
Er is ook een mythe waarin Pāṇini de basismantra's voor zijn grammatica ontvangt van Śiva: Volgens de Kathāsaritsāgara-legende studeerde Pāṇini onder zijn goeroe Varsha in Pataliputra. Hoewel hij niet de slimste van zijn leerlingen was, ging Pāṇini, op advies van Varsha's vrouw, naar de Himalaya om boete te doen en kennis te vergaren van Śiva. Śiva die danste en zijn ḍamaru (een soort trom) bespeelde voor Pāṇini, schonk hem śūtra's, en de basisklanken van deze śūtra's produceerde. Pāṇini accepteerde ze en ze staan nu bekend als de Śiva-śūtra's, ook wel māheśvarāṇi sūtrāṇi. Gewapend met deze nieuwe grammatica keerde Pāṇini vanuit de Himalaya terug naar Pataliputra. Maar tegelijkertijd had Vararuchi, een andere leerling van Varsha, een grammatica van Indra geleerd. Ze raakten verwikkeld in een debat dat acht dagen duurde en op de laatste dag, toen Vararuchi dominant werd, wist Pāṇini hem te verslaan met de hulp van Śiva, die Vararuchi's grammaticaboek vernietigde. Pāṇini versloeg vervolgens de rest van Varsha's discipelen en kwam naar voren als de grootste grammaticus.
Śiva (niets anders dan īśvara, saguṇa-brahma) heeft de taal volmaakt gemaakt. In vedānta zeggen we: Īśvara is het probleem en īśvara is de oplossing. Dat is de grap van de werkelijkheid. Het mooie is dat kṛ ook doen betekent. Īśvara is de maker en de doener, en dan nog wel sam, vol, perfect. De waarheid is dat we als bewustzijn, helemaal niks doen. Dit herkennen is de zegen (vara) van īśvara. De wortel van īśvara is īś dat betekent heersen. Maar niet heersen als een machthebber of iets dergelijks. Nee aangezien īś alles is, controleert het automatisch alles, zowel onze acties als de resultaten. Alleenheerser is hier dus non-duaal bedoeld. Het is bewustzijn, brahman, met zijn schijnbare mogelijkheid tot eigenschappen, kwaliteiten, guṇa's.
De oplossing is er in de vorm van de Veda's. Die zijn apauruṣeya, niet (a-) van mensen puruṣa, lijkt op persoon. Īśvara heeft ons een kennismiddel meegegeven, een pramāṇam (upasarga pra-), iets om te overdenken (man). Iets waar een mens zijn geest (zijn manas) aan bloot mag stellen.