Een zoeker van brahma vidyā die, met een klein bundeltje twijgjes (samidh) van de pippala (peepal), banyan of bodhiboom in één hand (pāṇi), een leraar met een huishouding (een mahāśāla) benadert.
- samitpani
De twijgjes vertegenwoordigen de bereidheid van de leerling om de leraar op een praktische manier van dienst te zijn (hout als brandstof voor rituelen) uit dankbaarheid voor de leer.
Als de guru een sannyāsī is, wordt het niet aangenomen, omdat een sannyāsī geen rituelen uitvoert. Aan die leraar wordt eventueel iets symbolisch aangeboden, maar met name een houding van overgave en vertrouwen (śraddhā) in de lessen.
Tegenwoordig gaat het dus meer over de innerlijk huis'houding' dan de uiterlijke huishouding. Maar net als twijgjes als brandstof voor rituelen een functie hebben, kan de moderne discipel een bijdrage leveren aan een mooie, schone, stille satsang en een mooie aankleding van het spreekgestoelte (kaarsje, beeldje, bloemetje). Dit voedt zijn devotie en kwalificaties als betrokkenheid en focus. Een ander voorbeeld is iemand die een seminar organiseert voor een vedanta-leraar, met de nodige moeite en middelen.
Het verschil tussen een mahāśāla en een gṛhastha is dat de eerste bij wijze van spreken zijn huis als een grote (mahā) zaal (śāla) heeft ingericht voor devotie en onderwijs. De gṛhastha is meer de student of disciple zelf, die nog een werelds leven leidt, en een huishouden voert. Beide zie je bij de zieners (de ṛṣi's) in de oude tijd veel terug.