Subjectieve realiteit van een menselijke jīva (levend wezen). Gekleurde, persoonlijke, kijk op de wereld op basis van conditionering.
- pratibhasika satya
Als ik de wereld niet zie als een uitwerking van alle neutrale wetmatigheden van īśvara, leef ik in een afgezonderde fantasie, privéwereld. Ik schep als het ware mijn eigen wereld. Dit wordt daarom ook wel jīva sṛṣṭi genoemd.
Droom is dus pure prātibhāsika satya, maar voor bijna alle mensen is ook de waaktoestand een soort subjectieve dagdroom. In zowel de droomtoestand als de dagdroomtoestand leef ik in een soort privé-schepping met voorkeuren, afkeren, biases, oordelen en projecties. Wat is dromen? De aandacht is alleen maar gericht op een individueel subtiel lichaam, waarin alle impressies zich in uitspelen. Wat is dagdromen? Ondanks dat de zintuigen open staan is de aandacht gericht op ahaṅkāra (ook in het subtiele lichaam), ego/ ik-beleving en gedachten en gevoelens zullen daar omheen tollen, en mijn gedrag zal dien overeenkomstig ego-gemotiveerd zijn.
Met alle problemen van dien. Verlangens, angsten, voorkeuren, afkeuren, en waarden worden geprojecteerd op de wereld en anderen. Voorts wordt alle zintuigelijke informatie ‘gekleurd en vervormd’ door mijn mind. Zo zal ik in sterke emotionele afhankelijkheid van objecten leven. Ik zal situaties beoordelen met voorkeur of afkeer.
Om te groeien naar een volwassen persoonlijkheid zal ik mij moeten afstemmen met de neutrale empirische of trans-actionele werkelijkheid van īśvara (vyāvahārika satya). Īśvara is niet meer en minder dan een stel prachtige onpartijdige wetmatigheden en hun uitwerking. Dat niveau van de werkelijkheid wordt ook īśvara's creatie (īśvara sṛṣṭi) genoemd. Als mens ben ik niet meer dan een radartje in het geheel, bedoeld om dharmisch bij te dragen aan het geheel, dat gelijk de dharma zelf is.
Dan ervaar ik de betekenis van de objecten puur op hun functie in het verhaal. Dan kan ik ook pas īśvara's schittering zien, en alle wetten en fenomenen weten te waarderen. Pas dan kan ik onwetenheid herkennen, met name in mijn eigen mind. Pas als mijn denkwereld objectief is, ben ik volledig geschikt voor het kennismiddel vedānta. We voelen al aan dat ahaṅkāra (ego, de misplaatste ik-beleving) in prātibhāsika satya een veel dominantere rol speelt dan in vyāvahārika satya. Levend in de objectiviteit van vyāvahārika, de laatste heeft het precies een functie, afgebakend genoeg om te overleven.
Een probleem voor assimilatie van vedānta, is dat ik, vanuit een state of mind van prātibhāsika satya, allerlei denkbeelden op de teaching projecteer, delen ervan ontken, of gebruik om in mijn bestaande complex van strategieën in te passen. Zo kan de kennis natuurlijk niet zuiver zijn werk doen op mijn onwetendheid.
Dit is een andere manier om te beschrijven dat we īśvara niet kunnen skippen. We moeten ons eerst afstemmen op de neutraliteit van de empirische werkelijkheid.
In het beroemde rajju sarpa nyāya voorbeeld van een touw of slang is de 'geziene' slang een subjectieve misvatting en verkeerde interpretatie van een (slecht verlicht) touw, op basis van een chronisch wantrouwen in mijn mind. De beleving van touw is vyāvahārika satya, de beleving van een slang die eigenlijk touw is, is prātibhāsika satya. Als metafoor staat het touw voor pāramārthika-satya, bestaan-gewaarzijn, en is de slang een expressie van onwetendheid. Dit wordt in prachtig verband met elkaar gebracht in de laatste regel van Śaṅkara's ochtendgebed (prātaḥ smaranam):
yasminnidaṃ jagadaśeṣam aśeṣamūrtau
rajjvāṃ bhujaṅgama iva pratibhāsitaṃ vai
(Voor de onwetende) blijft de wereld over, in dat wat geen overblijfsel heeft, zoals een slang in een touw wordt gefantaseerd.
Geluk staat of valt bij een gezond, nuchter zelfbeeld. Of dat nou de echte zelf is of de relatieve zelf. In prātibhāsika is zal dit zelfbeeld verwrongen zijn. Het bevat bijvoorbeeld algemene subjectieve interpretaties zoals "Ik bén slim/dom", "Ze ís aardig/verschrikkelijk", "Dit dúúrt lang". In extremis: “De wereld is tegen mij" is werkelijk een gedachte die mensen hebben. Of andersom: “Ik ben een zegen voor de wereld”, wat ook onzin is.
Zodra we waarden op de wereld projecteren, zullen we continu in gewetensproblemen zijn. Er is maar één waarde op de wereld te projecteren namelijk īśvara. En dit komt omdat de waarde van waarden god of het zelf is. Zo is alles enkel te waarderen als bestaan-bewustzijn.
Objecten zoals de prātibhāsikī ze beleefd, worden formeel viṣaya (bindende objecten, meestal geliefden om ons heen) genoemd. Objecten zoals de vyāvahārikī ze benoemd, worden formeel padārtha (niet bindende objecten) genoemd.
Zo komen we aan het derde niveau van de werkelijkheid toe. De status van zowel prātibhāsika satya als vyāvahārika satya worden begrepen door de wijze die werkelijk begrijpt dat en hoe mithyā (afhankelijk) eigenlijk satya (onafhankelijk) is. Deze niet te objectiveren waarheid (bewustzijn) is ātman, het zelf, en heet in dit systeem van drie pāramārthika satya. Dit betekent letterlijk voorbij (pāram) aan doelen en objecten (ārthāḥ). Pāramārthika satya drukt drukt de realiteit uit van degene die weet dat zij of hij brahman is, vrij van prātibhāsika jīva en vyāvahārika īśvara.