Subtiel energielichaam. Onderdeel van het subtiele lichaam (sūkṣma śarīra), in de verdeling van de vijf hulsen de energie-huls genoemd (prāṇamaya kośa).
- prana
Pañca prāṇāḥ, de vijfvoudige levenskracht waarvan de aanwezigheid het lichaam levend maakt en bij wiens afwezigheid het lichaam dood is. Het licht subtiel ten grondslag aan elke cel van het lichaam, en is zo verantwoordelijk voor het hele fysiologische functioneren.
De les hier is dat de energieën zich autonoom afspelen. Spijsvertering, hartslag, adem noem maar op, het is allemaal geleend, ik 'doe' het niet, ik ben het niet. Het is allemaal goddelijk, īśvara.
De rajas-aspecten van de vijf subtiele elementen (tanmatra;s) in combinatie met elkaar leiden tot de vijf subtiele prāṇa's: apāna (uitscheiding, eliminatie en voortplanting), vyāna (circulatie, lichaamscoördinatie, zenuwstelsel, beweging), samāna (spijsvertering, assimilatie, metabolisme), udānaḥ (opwaartse energie, uittreden subtiel lichaam na dood lichaam, expressie), prāṇa (ademhaling en opname daarvan).
Soms worden er nog vijf prāṇa's genoemd: nāga helpt bij het oprispen (boeren, niezen, hoesten, overgeven), kūrma helpt de ogen te openen, kṛkala wekt honger op, devadatta maakt geeuwen mogelijk en dhanañjaya voedt het lichaam.