Methode. Letterlijk: ‘Iets om te doen (kriyā)’. Tot zelfkennis stevig genoeg is, om te onderscheidden wat ik werkelijk ben, beoefenen we methodieken. Puur om zelfkennis te onthullen.
- prakriya
Tot we begrijpen dat we de doener niet zijn, en er nooit werkelijk iets gedaan is, wordt er devotie, meditatie en kennis beoefent. Wat 'doen' we in Vedānta?
We volgen de methodiek, de prakriyā. We kunnen natuurlijk niet ontkennen dat er leven is, en dat er een wereld verschijnt. Dit alles kennen we uit de representatie in onze geest, dat een betekenis gevend instrument is. Zolang de zelfonderzoeker nog beleeft dat de objecten die aan haar of hem verschijnen, echte onafhankelijke entiteiten zijn, zal zij of hij gebruik moeten maken van de leraar die keer op keer de juiste methodieken loslaat op de geest.
Tot onwetendheid kantelt en verdwijnt, en non-duale kennis stevig is. Zolang er onwetendheid is, zijn prakriyā's nodig voor besef. Dus beoefenen we kennis volgens een methodologie. Waarom? Omdat onwetendheid ook logica en methodologieën volgt, hoewel bedrieglijke. Dat mag rechtgezet worden.
Lijden is ook het volgen van een bepaalde logica: ‘Ik ben niet volledig ok, en de buitenwereld is tegen mij’. Zolang ik sporen van lijden ervaar, is het genade om devotie yoga (karma yoga en upāsana) en kennis yoga te beoefenen.
Vedānta is de kennis yoga, die gebruik maakt gebruik van methoden van onderscheidend, analytisch onderzoek (viveka) om verwarring over ātmā te corrigeren. Over het algemeen komen deze methoden erop neer, dat we ons eerst inbeelden dat bewustzijn vrijstaat van de objecten die eraan verschijnen, en dan verklappen dat de objecten ook niks anders zijn dan dit bewustzijn zelf. Een mind die na een stukje objectiviteit en onthechting (vairāgya) en een (duale) dissociatie door onderscheid (viveka) een bepaalde puurheid heeft bereikt, kan gemakkelijker de non-dualiteit van de werkelijkheid (mijzelf) begrijpen. Voorbeelden:
• adhyāropa apavāda viveka prakriyā - Methode om een superpositie (adhyāropa), iets wat ‘erop geplaatst is’ te herkennen en deze cognitief te verwijderen (apavāda, apa, weg van de vāda, stelling, met name de misvatting van de echtheid van een object of argument), door de afhankelijke staat (mithyā) ervan te herkennen. Alle objecten, zelfs de meest ongemanifesteerde subtiele vṛtti's, zijn superposities. Ze bestaan wel, maar zijn in werkelijk niets anders dan dat waar ze een tijdelijke uitdrukking van zijn, nl. de waarheid van mezelf: vrij, vredig, open, oneindig, attribuut-loos bewustzijn.
• avasthā traya viveka prakriyā - Methode voor het logisch herkennen van de drie staten diepe slaap, droom en wake als mithyā (relatief afhankelijk waar, niet op zichzelf staand, maar een uitdrukking van iets anders). Herkend wordt dat deze drie toestanden in mijzelf, als mijzelf, onafhankelijk bestaan-bewustzijn (satya) opkomen. Het zelf wordt dan wel het vierde (turiya) genoemd: origineel bewustzijn, brahman, ātmā. Dit is de centrale teaching van de kortste 'koning der’ upaniṣads de māṇḍūkyopaniṣad.
• dṛg dṛśya viveka prakriyā - Methode voor het onderscheiden van ziener - geziene. De ziener (dṛk) is invariabel en onafhankelijk is, en het geziene (dṛśya) variabel en afhankelijk. Eerst wordt vastgesteld dat de instabiele, bewegelijke wereld zintuigelijk wordt waargenomen en weergegeven in de mind. Dan wordt gezien dat ook de inhoud van de mind bewegelijk, instabiel en zeer vergankelijk is, en waargenomen door een dieper principe. Ik kan dus de mind niet zijn kan. Vervolgens wordt erop gewezen dat het geziene niets anders is dan een effect, manifestatie of uitdrukking van de ziener, maar dat de ziener vrij is van het geziene. Goed erbij te vermelden, dat in deze analyse de ziener (dṛk) het stille getuige-principe (sākṣī) is, dat alles mogelijke maakt, en niet de kenner (pramātṛ) in de mind die interpreteert. Deze kenner is niks anders dan een combinatie van intellect en ego (ahaṅkāra), dat bij het geziene (dṛśya) hoort, als ijdel, vergankelijk fenomeen. Een uitmuntende analyse hiervan is gegeven in tekst dṛg dṛśya viveka traditioneel toegeschreven aan Ādi Śaṅkara (of volgens veel wetenschappers Bharatī Tīrtha).
• kārya kāraṇa viveka prakriyā - Methode om onderscheid te maken tussen oorzaak (kāraṇa, dit is het bewustzijn, de drager van alles) en (het schijnbare) gevolg/effect (kārya). Het gevolg draagt zijn oorzaak in zichzelf. De aard van de verandering van oorzaak in gevolg is vivarta (schijnbaar). Waarom? Oorzaak is satya (onafhankelijk bestaan), sāra (essentieel, substantieel), ekam (één) en nitya (oneindig). Bewustzijn lijkt een nieuwe vorm aan te nemen (pariṇāma), maar blijft onveranderd. Het is tijdelijke schijn van namen, concepten, functies en materiële vormen. Daarom is de werkelijkheid non-duaal. Een soortgelijke methode heet sṛṣṭi (schepping) viveka prakriyā (waar de schepping lijkt te zijn, is in werkelijkheid bewustzijn) genoemd. Het mooie van dit soort methodieken is dat met zo'n methode voor de geest, elk ding mij kan herinneren aan de ware vrijheid van het zelf.
• pañca kośa viveka prakriyā - Methode voor het herkennen en cognitief verwijderen van de vijf omhulsels van een levend wezen zoals de mens, besproken in de Taittirīya Upaniṣad. De omhulsels zijn: annamaya kośa (omhulsel, kośa gemaakt van, maya, voedsel, anna). prāṇamaya kośa (levensenergie, prāṇa omhulsel), manomaya kośa (geest, manas omhulsel), vijñānamaya kośa (intellect, vijñāna omhulsel) en de ānandamaya kośa (gelukzaligheid, ānanda omhulsel). Het belangrijkste is dat het geen lagen zijn die op elkaar gestapeld zijn, maar dat volgens de realiteit van ānandamaya kośa tot annamaya kośa de domeinen elkaar lijken te doordringen in hun functioneren van subtiel tot grof. Voor elke omhulling of laag kan worden aangetoond dat ik ze niet als zodanig kan zijn. Vier bewijzen hiervoor: 1. Anityatvam, alle omhullingen (kośas) zijn niet oneindig (nitya), maar vergankelijk. 2. Dṛśyatvam, alle omhullingen zijn objecten en daarom waarneembaar. 3. Jaḍatvam, alle omhullingen zijn (subtiel of niet maar) materie en daarom, als zodanig, inert (jaḍa), dood materiaal. Het lichaam is zich niet bewust van mij, noch van zichzelf, noch zijn gedachten. En: Dit is een subtiele. Is er gevoeligheid in mijn lichaam? Welnu, er moet bewustzijn zijn om zich van iets bewust te zijn. Dus het echte levende ding aan iets, ook het lichaam, is bewustzijn zelf. Ook voor de geest telt dit. 4. Duḥkha miśritatvam, gemengd met lijden. Elke omhulling heeft een vorm van lijden of gehechtheid. Ik, sat cit ben ānanda, gelukzalig, dus ik kan de kośa’s niet zijn. De conclusie kan alleen zijn dat in werkelijkheid het bewustzijn alle lagen, domeinen en omhulsels doordringt, in een non-duale ‘arrangement’. Beter geformuleerd, alle omhulsels zijn niets anders dan puur bewustzijn, het enige dat is.
• śarīra traya viveka prakriyā - Methode voor het herkennen en onderscheiden van de drie materiële lichamen van een levend wezen, van het substraat dat eraan ten grondslag ligt. Van subtiel naar grof: kāraṇa śarīra (oorzakelijk lichaam), sūkṣma-śarīra (subtiel lichaam, waaronder het zenuwstelsel, waar het voelen in manifesteert, dat onder prāṇa, energielichaam valt) en sthūla śarīra (grofstoffelijk lichaam). Van belang is te beseffen dat ze allemaal van materie gemaakt zijn. Ook al is kāraṇa śarīra slechts een zeer subtiele vṛtti die de andere lichamen doordringt. Het werkelijke, schijnende aan dit alles is sat cit, de onaantastbare werkelijkheid, ik. De lichamen, gevoelens, gedachten dansen schijnbaar op mij, het stabiele (aambeeld, kūṭastha van) bewustzijn rond. Ik sta oneindig stralend stil.
• tanmātra viveka prakriyā - Methode om de hele materiële schepping te onderscheiden van hun subtiele, ongemanifesteerde vorm. Tanmātra's zijn de vijf subtiele elementen ruimte, lucht, vuur, water, aarde in hun zuivere on-gerecombineerde vorm. De nog zuivere sattva porties van elk tanmātra vormen de zintuigelijke instrumenten (jñānendriyāṇi), de nog zuivere rajas porties vormen de instrumenten van actie (karmendriyāṇi). Zodra ze gaan combineren volgens een bepaalde formule vinden grovere, gemanifesteerde vormen plaats zoals geest (manas) en intellect (buddhi) van sattva guṇa, the prāṇa's van rajas guṇa en het lichaam en de materiele wereld van tamas guṇa. Ik ben het enige bewuste wezen, dat dit wiskundige spel van materie doordesemt in mijzelf, bewustzijn.