Verandering, evolutie. Ik denk dat ik verander omdat ik als persoon van het ene naar het andere ga, terwijl ik in werkelijkheid, als het substraat van de schijnbare verandering onveranderlijk ben.
- parinama
De veranderende persoon is een superpositie, iets wat er tijdelijk op geplaatst is vanwege māyā. Ik, bewustzijn, ben a-pariṇāma, onveranderlijk.
Een pariṇāmi upādāṇa karaṇa is een materiële (upādāṇa) oorzaak (kāraṇam) die een verandering (pariṇāma) ondergaat in de substantie of het materiaal zelf om een gevolg te worden. Dat type vindt blijkbaar plaats in de bewegende, transactionele wereld (vyāvahārika satya) van īśvara:
Voorbeelden: gekarnde boter wordt ghee, verbrand hout wordt rook en as, een zaadje verandert in een plant, lichaam en geest doorlopen de stadia van ei, zaad, embryo, baby, kind, jongere, volwassene, oud en dood. De situatie is altijd nieuw en kan nooit meer terugkeren naar de oude. Elke cel, en daarmee het lichaam, verandert voortdurend.
Maar natuurlijk kan ik niet bouwen op deze veranderende orde. Waar kan ik dan wel op bouwen? Ik ben het onveranderlijke substraat, waarop alles is 'gebouwd'. Oorzaak en gevolg behoren hier tot dezelfde schijnbaar materiële orde van de werkelijkheid, mithyā.
Met vivarta pariṇāma is dit niet het geval. Vivarta betekent verschijning. Vivarta upādāṇa karaṇa is een oorzaak, die niet echt verandert. Bewustzijn, brahman, de oorzaakloze oorzaak van alles, lijkt te veranderen in de objecten van de wereld. Maar het zijn veranderende verschijningen van mezelf, bewustzijn, geen echte veranderingen. Ik, het substraat, blijf hetzelfde. Dit moet worden begrepen als vrijheid.