Opperste kennis. Kennis die verwijst naar de absolute waarheid van jezelf: non-duaal bestaan, stralend als bewustzijn. En kennis van de relatie tot aparā vidya (relatieve kennis).
- para vidya
Parā vidya is dus ātma bodha (zelfkennis). De mahā vākya aham brahmāsmi drukt dit uit.
De kennis van de identiteit van het zelf met Brahman die plaatsvindt in de buddhi (het intellect) door het horen en goed begrijpen van de woorden van de Upaniṣad, wordt parā vidyā genoemd.
Parā vidyā is geen concrete kennis van wat bewustzijn of brahman is. Dat is onkenbaar. We weten wel wat het niet is: Zonder tweede (non-duaal), zonder begin, zonder einde, zonder grenzen, zonder attribuut, zonder eigenschap, zonder naam, zonder vorm, zonder verandering, onvergankelijk, onafhankelijk enz.
Aparā vidya (relatieve kennis) is alle kennis van (persoonlijke en wereldse) objecten. Deze kennis verwijst naar dualiteit, zaken en dingen met een begin, met een einde, met grenzen en dus beperkt, met attributen, eigenschappen, namen, vormen, veranderingen. Naar dat wat vergankelijk is en afhankelijk.
Aparā vidya is een expressie, verschijning, manifestatie van parā vidya zonder dat parā vidya werkelijk in aparā vidya verandert.
De eerste kāṇḍa (deel) van de eerste muṇḍaka (hoofdstuk) van de Muṇḍakopaniṣad behandelt het verschil tussen beiden.