Elke helft van het tāmasa-aspect van elk subtiel element (tanmātra) wordt gecombineerd met een achtste van elk van de tāmasa-aspecten van de andere vier subtiele elementen. Het nieuwe deel verdeelt zich volgens dezelfde formule eindeloos complexer verder enz. Dit verklaart of, zo je wilt, staat symbool, voor de complexiteit van de wereld in de waaktoestand.
Dit model geeft tevens aan dat de grove vijf elementen die de basis vormen van grove materie (virāṭ of vaiśvānara) in de waaktoestand (jāgrad avasthā) volgens vedānta nooit in hun zuivere grove toestand (mahābhūta’s) voorkomen. Alleen de subtiele elementen zijn in eerste instantie zuiver. En vallen dan ook volgens een bepaald model uitéén in de subtiele organen. Hieronder vallen ook de vijf zintuigelijke organen, die afkomstig zijn van dezelfde subtiele elementen verbonden zijn met de bhūta saṅghāta, de samenstelling van elementen in de wereld.
Pañcīkaraṇam betekent zoiets als ‘komende (karaṇam) van vijf (pañca), veranderende in vijf’.
We moeten ons beseffen dat dit maar een model is om de vedāntische methodiek op toe te passen, net als hedendaagse wetenschapsmodellen. Wat is de vedāntische methodiek? Het model opbouwen, aantonen dat het objecten zijn, afhankelijk (mithyā) van het subject en substraat ervan, het bestaan zelf, schijnend als bewustzijn (satya). Dan begrijpen op authoriteit van de veda’s (īśvara zelf), dat objecten niks anders zijn dan het subject: advaita. Na dit gerealiseerd te hebben lossen subject en object op als non-duaal zelf.
Aldus krijgen we het volgende schema. De donkere kleur van grove materie, en zijn substraat tamas, drukt het duistere, inerte, dode uit van grove materie op zich.

- pancikaranaVergroving van de subtiele vijf elementen door gecombineerde eenheden van de tamas-proporties, volgens een bepaalde formule, wat tot grove materie leidt.