Bevrijding, maar nog correcter vrijheid, omdat het al het geval is. Het is vrijheid van het idee beperkt te zijn. Vrijheid van afhankelijkheid van objecten. Het is vrijheid omdat bewustzijn vrij is.
- moksha
Het is vrijheid van door onwetendheid veroorzaakte foutieve identificatie met lichaam en geest.
Vrijheid van saṁsāra, de beginloze, eindeloze cyclus van geboorte en dood. Vrijheid van emotionele afhankelijkheid. Vrijheid van de verlangende persoon. Vrijheid van het gevoel van beperktheid, onzekerheid en onveiligheid. Kortom vrijheid van afhankelijkheid van objecten.
Waarom vrij? Omdat vrijheid het complete object-loze bewustzijn-bestaan is. Oneindig, grenzeloos, onverdeeld en ongebonden. Dit geeft de ervaring heel en vol te zijn, de enige ervaring die het attribuut-loze bij benadering uitdrukt. Dus zonder angsten, bedreiging, weerstand of enige vorm van verdeeldheid, totaal ongecompliceerd ok zijn, omdat je volledig weet dat je non-duaal bewustzijn bent, en alles zo beleeft.
Dit kan alleen bereikt worden door de zelfkennis dat ik puur bewustzijn ben, het substraat, de waarheid van alles. Het ding is: Ik ben al die vrijheid, maar ben er onwetend van.
Mokṣa is zo het ‘zijn’ van het enige principe, dat zich schijnbaar kan manifesteren als dingen, wat zich schijnbaar lijkt te beperken, en zo individuele onwetendheid mogelijk maakt, middels identificatie met lichaam, geest en wereld. Kortom, mokṣa is vrijheid van de beperkingen (en het daaruit voortvloeiende ongeluk) van schijnbare individualiteit. Het is vrijheid van het individu, en voor het individu. Omdat de wereld een gedoe lijkt, moet de kennis volledig verinnerlijkt zijn, en elk moment beschikbaar. Dan krijgt de wereld op een gegeven moment voorgoed de status van mithyā (zeer betrekkelijk, want afhankelijk, veranderlijk, vergankelijk).
Het heet ‘vrijheid’ omdat ik geheel alleen sta. Geen bedreiging, geen ander. Als ik dat helder inzie, zal vrijheid van het individu volgen.
Mokṣa staat bekend als parama śreya, het meest verheven welzijn, en als saṁsiddhi, de grootste verworvenheid. Nogmaals, de realisatie is paradoxaal iets dat al zo was. Daarom alleen mogelijk door het te weten.
Mokṣa is en kan geen gebeurtenis zijn die in de tijd plaatsvindt. Wat begint moet namelijk ook eindigen. Het is het altijd bestaande feit dat eenvoudigweg als zodanig moet worden herkend, erkend en begrepen.
Mokṣa is voor de waaktoestand, jāgrad avasthā. In de toestand van diepe slaap (suṣupti avasthā) is het überhaupt geen issue of ik vrij ben. Dan ervaar ik alleen maar de bliss van bewustzijn omdat er geen objecten zijn, zij het in onwetendheid dat ik bewustzijn ben. In de droom staat (svapna avasthā) is kennis dat ik vrij ben mogelijk, maar dit zal een lange, diepe actualisatie vergen van het zelf. Bovendien is de persoon in de waaktoestand 'verlicht’ van zijn dromen, hij ziet dat dromen nep zijn.
De boodschap van de māṇḍūkyopaniṣad is dat we geen van de drie toestanden zijn, maar de vierde (turiya), dat geen staat van zijn is, maar het zijn zelf ervan, vrij van zijn uitdrukkingsmogelijkheden. Alle drie de staten zijn afhankelijk (mithyā) van, en niets anders dan het bestaan zelf (satya).
Vrijheid komt in twee stappen:
I. Ergens vrij van zijn: De drie staten (avasthā traya) , de vijf schillen (pañca kośāḥ) van de persoon, de drie lichamen (śarīra traya) etc. Dit doen we door te onderscheiden (viveka), dat ik de ziener, de getuige ervan ben.
II. Erkennen dat wat iets substantieel leek te zijn, alleen maar een verschijning, manifestatie, expressie van het zelf (ātmā) kan zijn (satya mithyā identiteit), het enige dat is.
Ayam ātmā aham, I am that self.
Alleen (kaivalyam) maar zijn, drukt non-dualiteit uit (niet twee, één). Het enige dat ik namelijk met zekerheid kan zeggen is dat ik ben. De rest is onzeker. Al die onzekerheid is zo een uitdrukking van: ‘Ik ben’. Al die zaken waar ik vrij van ben, zijn een schijnbare uitdrukking van mijzelf. Zo is vrijheid ‘ik ben’, zonder andersheid.
De vrijheid die mokṣa is, is dus vrijheid van onwetendheid over wat ik altijd al was: Het bestaan zelf, schijnend als bewustzijn.
Alles wat is, is het zelf (ātmā). Als dit gezien wordt, lossen misvattingen op, zoals misplaatste emotionele reacties in de vorm van onbehagen of verdriet (waaronder jaloezie, woede, depressie, angst, angst, spijt), wat maar al te vaak resulteert in ongepaste actie, dat onwetendheid schijnbaar voedt, en meer onwetendheid produceert. Al zulke ongelukkige reacties laten een restant van onafgemaakte zaken achter die de cyclus van emotioneel gedreven problemen en verlangen, bekend als saṁsāra, in stand houden. Een cyclus die nooit eindigt totdat deze wordt doorbroken door correcte kennis van zichzelf en de wereld.
Indien geïdentificeerd met de geest, lijkt ātmā de kenner van verschillende vṛtti's, gedachtevormen, maar mokṣa is weten dat ātmā vrij is van alle vṛtti's. Het vrije weet dat alle losstaande concept ‘gebakken lucht is’.
In mokṣa staat ātmā bekend als het vrije, onbezoedelde substraat van elke vṛtti, ongeacht de gemoedstoestand. Vrij, maar genietend van mijn wonderbaarlijke rijke belevingswereld en deze waarderen als goddelijk. In mokṣa staat ātmā bekend als het onveranderlijke bewustzijn in elke (variabele) cognitie – pratibodha viditam matam (Kena 2.4).
Dit betekent dat bewustzijn in elke ervaring wordt 'ervaren', maar, cruciaal, niet als specifieke ervaring van een specifiek object! Bewustzijn wordt 'ervaren' als de onveranderlijke, onbezoedelde, volle, grenzeloze aanwezigheid in (het bestaan van) alle ervaringen. Dit wordt ook wel omschreven als de ‘eenvoudige ervaring van het zijn zelf, waarbuiten niet iets is’. Door te weten wordt, in de diepte, alles als bewustzijn gedetermineerd. Bewustzijn is alles wat er is, en alles is dat. Dan plukt een wijze de vruchten van het spanningsloze, zorgeloze, volle, tevredene van ‘ik ben gewoon’.
In kennis is er alleen maar de aanwezigheid van de natuurlijke, moeiteloze, onveranderlijke aanwezigheid van jezelf, de aanwezigheid van het bestaan, het enige bestaan. Het is de aanwezigheid die alles laat schijnen, die het voortdurende zelfgevoel mogelijk maakte, dat van dag tot dag, van jaar tot jaar, vanaf de vroege kinderjaren al straalde, de adhiṣṭhāna, die de ondersteuning van alles blijkt te zijn, waardoor een ononderbroken continuïteit of gelijkheid van het zelf de ondertoon is.
Het verwarren van die voortdurende, onveranderlijke aanwezigheid met de steeds veranderende kārya karaṇa saṅghātaḥ, het lichaam-geest-zintuigcomplex, leidt tot saṁsāra. Deze fout is als het verwarren van onveranderlijk water met zijn steeds veranderende vormen golven, schuim, damp, enz.
Nuance: mokṣa heeft twee soorten betekenis, een relatieve en een absolute. Ten eerste: Als vierde doel van een mens (puruṣārtha) in de betekenis van ‘bevrijding’. Bevrijding van de onwetendheid dat en hoe ik al vrij was. De drie wereldse doelen die een mens bezighouden zijn bestaanszekerheid (artha) in de vorm van geld en bezit. Verlangen (kāma) naar ervaringen die mij bijzonder en waardevol maken. En dharma: Goed leven, het verlangen een goed mens te zijn.
Deze aardse doelen worden preyas genoemd, wat letterlijk ‘liever dan’ betekent. Dit duidt op tijd- en ruimte gebonden manieren om uit mijn gevoel van kleinheid en minderwaardigheid te komen. Maar dit houdt nooit op en jagen gevoelens van hebzucht, verlangen, rusteloosheid en superioriteit denken aan. Ik moet blijven ‘gaan’ en dingen doen om enigszins gelukkig te zijn en te blijven. Waarom ben ik zo druk? Dit komt door het existentiële gevoel (waar ik zelf geen weet van heb) dat ik vol en compleet zou moeten zijn (omdat ik dat ben), wat een existentiële rusteloosheid in mij veroorzaakt om meer te bereiken. ‘Om thuis te komen, in mijn natuurlijke volle wezen’. Met andere woorden, ik streef wereldse doelen na om mijn gevoel van beperking te vervullen. Dit leidt tot existentiële frustratie.
Maar wereldse doelen kunnen dit gewoonweg niet bewerkstelligen. Zo komt elk mens uiteindelijk, ook al is het na vele levens, uit bij het doel mokṣa. Dan leert hij eerst dat onwetenheid het probleem is, en kennis de oplossing (van mumukṣutva naar jijñāsu). Uiteindelijk komt men dan alleen maar thuis bij zichzelf, onafhankelijk van de wereld. Hoe simpel en heerlijk is dat? Ik hoef niks te doen, en nergens heen om vrij te zijn. De persoon in de wereld blijft verschijnen, geen probleem, het speelt haar of zijn vederlichte spel. Bevrijding gaat dan over in 'zijn wat ik ben’: Vrijheid als compleet, vol bewustzijn.
Omdat het enkel onwetendheid is dat door kennis wordt weggevaagd is de werkelijke tweede betekenis dus geen bevrijding, wat een ‘worden’ uitdrukt, maar vrijheid, wat een ‘zijn’ uitdrukt. Het blijkt altijd al volledig goed (śreya) te zijn geweest. Bevrijding is nog relatief ten opzichte van wereldse doelen: Ik ben ergens vrij van. Bevrijding drukt betrekkelijkheid en dualiteit uit. Maar onwetendheid en kennis zijn niet duaal. Onwetendheid en vrijheid zijn een of-of, niet een en-of. Bevrijding drukt uit dat men iets bereikt. Vrijheid is absoluut als mijzelf staan. Een feit dat al het geval was.
In werkelijkheid is er dus nooit iets verandert. Omdat ik de status van objecten herken als mithyā (relatief echt), herken ik ook ‘mijn hele verleden’ als nooit echt gebeurd. Wat verandert is een verschuiving in betekenis en waardering in het intellect. Daar heeft bewustzijn zelf niks mee te maken. Vrijheid staat op zichzelf, alleen. De zaken waar men eerst vrij van dacht te worden, waren nimmer echt. Als vol, bewust, enig wezen van bewustzijn was ik altijd al vrij, inclusief alle verschijnselen.