Vals (niet echt en niet on-echt). Mithyā is elk verschijnsel dat veranderlijk, vergankelijk en afhankelijk echt is, in het licht van satya (bestaan-bewustzijn, ik), dat wat onafhankelijk echt is.
- mithya
Satya en mithyā zijn daarom twee ontologische termen, termen die 'zijn’ uitdrukken. Hoe kan ik naar de werkelijkheid kijken op essentieel niveau. Beide definiëren de ene realiteit op een ander niveau, als twee verschillende ordes van realiteit. Er is maar één zijn, maar met satya (absoluut) en mithyā (relatief) kunnen we uitdrukken waarom er een wereld verschijnt in (bewust)zijn.
Alle objecten (zichtbare of onzichtbare verschijnselen) als begrensde dingen, gevoelens of gedachten, zijn mithyā. Ze staan niet op zichzelf. Om te bestaan, moeten ze ergens afhankelijk van zijn, dat wat bewust is van ze. Geen bewustzijn, geen object. Voorts hebben alle objecten een begin en een eind. Dit maakt ze veranderlijk, in constante flux, wat hun vergankelijkheid uitdrukt. Een object heeft een oneindig korte spanne. Een object kan nooit op zichzelf staan. Denk aan een eroderende rots, een lichaam dat constante cel vernieuwing kent etc. Alles wat veranderlijk is, is mithyā.
Vedānta definieert als echt, dat wat altijd is (satya, bestaan-bewustzijn) en als onecht dat wat een begin en een eind heeft (mithyā).
Satya is het substraat bewustzijn, dat vrij op zichzelf staat, oneindig aanwezig is, geen begin en eind heeft en onveranderlijk is. Bewustzijn is het enige dat werkelijk bestaat. Er moest een principe zijn om de oerknal plaats te laten vinden, er moet hier en nu een principe zijn om bewust te zijn van objecten. Satya is het bestaan zelf. Mithyā is een uitdrukkingsvorm of schijnbare manifestatie van satya en dus afhankelijk van satya. Satya is onveranderlijk, mithyā is alles wat schijnbaar veranderlijk is daarin. Satya is onvergankelijk, terwijl de objecten die we als losstaande zaken mithyā noemen, altijd weer vergaan, verlopen, vervliegen.
Mithyā wordt op twee manieren gedefinieerd: adhiṣṭhāna ananya, dat wat zijn als zijn basis (adhiṣṭhāna) iets anders (ananya) heeft. Dit iets anders (wat in werkelijkheid niet iets anders is natuurlijk, maar het substraat, de in-grond van de objecten) is satya, bestaan, bewustzijn. Dit betekent dus nogmaals dat een los object geen onafhankelijk bestaan heeft.
Tweede definitie: sad asadbhyām anirvacanīya, dat wat niet kan worden uitgedrukt in woorden, ook al proberen we het. Soms lijkt iets dit of dat te zijn, maar kunnen we er ook anders naar kijken. Zo blijken alle objecten concepten te zijn. Als ik een trui zie, kan ik ook draden of breipatronen zien. Als ik draden zie, kan ik ook wol zien enz. Een fysicus ziet er Nano deeltjes of strings in, en als zij of hij net een nieuwe baanbrekende theorie heeft bestudeerd, ziet hij de waarneming in het licht van die nieuwe concepten. Dat zelfs in de wetenschap alles gefalsificeerd wordt is typisch wat het begrip mithyā uitdrukt. De dingen blijken nooit precies te zijn wat we dachten dat ze waren.
Dat mithyā niet kan precies kan worden uitgedrukt brengt ons tot de volgende definitie: Mithyā is dat wat niet absoluut bestaand is, maar ook niet niet-bestaand (sad asadbhyām). Zo voelen we de ongrijpbaarheid van mithyā al aan.
En terecht, want mithyā blijkt gewoon satya te zijn, maar satya is vrij van mithyā. Zo wordt non-dualiteit op zijn best met woorden omschreven. Maar deze zijn versus niet-zijn relatie blijft een merkwaardige, absurde (sad asad vilakṣaṇa) relatie. Daarom wordt mithyā over het algemeen wel vertaald als vals. Hier bedoelen we mee: De verschijningen van de werkelijkheid hebben geen eigen bestaan, maar een geleend bestaan van bewustzijn. Ze zijn niet het object dat de zintuigen (ook mithyā) ons voortoveren, maar ze zijn een uitdrukking van satya, bewustzijn.
De volgende analyse bevestigd en verduidelijkt dit, en maakt de lastige filosofische begrippen praktisch: Een tafel kan ook gezien worden als hout, vezels, moleculen, atomen, quarks, concepten, informatie, kennis, intelligentie, bewustzijn. Dit kunnen we voor elk materieel object toepassen. Wie de satya mithyā relatie begrijpt, begrijpt de werkelijkheid van zichzelf: Geen persoon, maar bewustzijn. Bij elke gedachte is er een neutraal principe aanwezig dat het oplicht. Bewustzijn is altijd het geval, en drukt zich uit in objecten die komen en gaan.
Mithyā is een dus ontologische term (zijnsterm) die aangeeft wat noch absoluut reëel, noch onwerkelijk is, maar wat empirisch, objectief, relatief en afhankelijk reëel is. Aldus worden drie kenmerken genoemd: Wat mithyā is, heeft een begin en een einde (is vergankelijk), is afhankelijk van iets anders (zijn substraat bewustzijn) en is aan verandering onderhevig. Daarom kan alles wat ervaarbaar is, geclassificeerd worden als mithyā. Elke ervaring als een losstaand feit is mithyā, omdat het eigenlijk satya is.
Mithyā is een manier om asat uit te drukken. Iets dat voor zijn bestaan afhankelijk is van zijn waarnemer of van zijn substraat sat, net zoals een perceptie (een waargenomen object) afhangt van zijn waarnemer, of een gouden sieraad afhankelijk is van zijn substraat, goud. De perceptie en het ornament zijn alleen bekend als de waarnemer en het goud aanwezig zijn. Verwijder ze en het waargenomen object en ornament verdwijnen. Bewustzijn kan niet verdwijnen, het is het bestaan zelf.
Daarom zijn kenner en de waarneming in de mind, en het ornament in de wereld beide mithyā, afhankelijk van de realiteit, niet absoluut reëel, maar zeker geen illusies of waanvoorstellingen. De vorm op zichzelf is een illusie, adhyāsa. Een illusie bestaat wel, maar betekent dat het niet is wat het lijkt. Het is niet wat ik denk dat het is. En niet-bestaan bestaat niet, dus is het nutteloos om zo te praten. Op dit punt is het goed om een derde orde van realiteit te introduceren, naast satya en mithyā, namelijk tuccha: Objecten die zelfs niet echt zijn in de relatieve realiteit. Zoals de hoorns van een haas, of Midden-aarde beschavingen etc. Deze zijn zelfs in de wereld van objecten fantasieën, niet meer dan gedachten.
Het is de waarheid eender: Alle objecten zijn eenvoudigweg bestaan-bewustzijn zelf.
Het waargenomen object is gewoon het bestaan-bewustzijn zelf. Zo kunnen we de bedreigende wereld zien, als de oceaan van bewustzijn die ik ben, waar wat malle beweging (mentale en fysieke golfjes) in zitten. De jñānī ervaart geen mithyā, alleen maar satya. De ervaring is de gelukzaligheid van onverdeeldheid, volheid en heelheid. Een ding heeft dus geen bestaan van zichzelf, maar leent zijn bestaan van het bestaan zelf.
Als we dit in taal uitdrukken, blijken we de syntax-regels om te moeten draaien. Een tafel bestaat niet (als zichzelf), maar het bestaan tafelt (verschijnt tijdelijk als tafel). Vandaar de term vilakṣaṇa (vreemd, absurd, merkwaardig, grappig) voor mithyā.
Een verschijning in bewustzijn kunnen we zo zien als (een uitdrukking van) bewustzijn zelf. Mithyā is een synoniem van mṛṣā, onwerkelijk, onwaar, en vaitathyam (term door Gauḍapāda, de guru-opa van Śaṅkara, gebruikt in zijn Māṇḍūkya Kārikā), onwaarheid.
Uiteindelijk is het essentieel te beseffen dat mithyā in zijn diepere werkelijkheid satya is. Het is een non-duale relatie, en dus geen relatie. 'Waar mithyā is, is satya', in de woorden van Andre Vas. Er is alleen maar satya, ook al verschijnt mithyā.
Naast de hoofdkwalificaties afhankelijkheid (tantra), veranderlijkheid (pariṇama) en vergankelijkheid (anitya) van de ontologische categorie van mithyā, noemen we nog de volgende kwalificaties die je wel eens kan tegenkomen in de literatuur:
1. sattva anupalabdhi
Het is in zichzelf niet absoluut werkelijk (sat). Het heeft als losstaand object geen svarūpa sattā (essentieel, absoluut bestaan).2. asattva anupalabdhi
Het is ook niet absoluut onwerkelijk (asat), zoals een hoorn van een haas (śaśaviṣāṇa), die niet eens verschijnt. Mithyā verschijnt wel degelijk! Conclusie: het is niet sat, niet asat, dus: sad asat vilakṣaṇa.3. adhiṣṭhāna ananyatva
Het is niet-verschillend van zijn drager (substraat). Zoals de illusie van zilver niet losstaat van de schelp, is mithyā onlosmakelijk verbonden met Brahman, zijn basis/ substraat (adhiṣṭhāna).4. vyavahārika sattā
Het heeft praktische geldigheid in de wereld. Binnen het 'gebeuren' van de dagelijkse ervaring (vyavahāra) functioneert het correct als īśvara en heeft het vol bestaansrecht. Een illusoire slang maakt je wél bang. Daarom is het niet puur niets.5. jñāna nivartyatva
Het wordt opgeheven door juiste kennis. Zoals de slang verdwijnt als je inziet dat het een touw is, verdwijnt mithyā bij het juiste inzicht in Brahman.6. anirvacanīyatva
Het is niet definitief beschrijfbaar als sat of asat, anirvacanīyā mithyā, het is onuitspreekbaar in termen van zijn of niet-zijn.