Dit is een subtiele waarde uit het dertiende hoofdstuk van de Bhagavad Gītā. Waarom subtiel? Omdat de andere persoon het ook niet kan helpen, en handelt volgens zijn conditionering. De ander niet verstoren vergt een accommoderende houding. Voor ik het weet heb ik een oordeel uitgestraald (mogelijk met mijn gezichtsuitdrukking of lichaamstaal) of een ongevraagd advies uitgedragen, wat over het algemeen tegendraads uitpakt. Ook al zie ik helder, dat de ander een onverstandige keuze maakt, of iets onbenulligs zegt. Ik kan dus alleen iemand tegenspreken als ik inschat dat de andere het zal begrijpen en oppakken.
Dus ik zou alleen bezwaar moeten maken tegen iemand, als ik inschat dat de andere persoon het zal begrijpen en bereid is te luisteren. In feite voeren jñānī’s (wijze kenners) deze waarde de hele tijd uit, drukdoende met accommoderen, omdat:
Yā niśā sarvabhūtānāṁ tasyāṁ jāgarti saṁyamī |
yasyāṁ jāgrati bhūtāni sā niśā paśyato muneḥ ||
Dat wat nacht is voor alle wezens, daarin is de beheerste (de wijze) wakker; en dat waarin de wezens wakker zijn, is nacht voor de ziende wijze.
Bhagavad Gītā 2.69
Gelukkig is dit een moeiteloze inspanning uit vanzelfsprekende liefde. Kṣānti wordt automatisch voor degene die overal liefde ziet. En met liefde bedoel ik de volledige grenzeloze gelijkheid van bewustzijn. Liefde en aandacht gericht op een losstaand object kan alleen echte liefde zijn, als de liefde voor een object betekent, de liefde voor alle objecten.
- ksantiEen tegemoetkomende, accommoderende, gepaste, niet-reactieve, niet-oordelende houding ten opzichte van anderen.