Het causale of oorzakelijke lichaam van het individu. In de meest algemene formulering is dit de zaadvorm/potentie van alle individuele ervaring, die leidt tot het subtiele en grove lichaam.
- karana sharira
Het is van de aard van het ondefinieerbare, begin-loze avidyā en gemaakt van onzuivere sattva (een van de drie kwaliteiten van māyā), vermengd met tamas (subtiele materie).
Het oorzakelijke lichaam blijft zelfs na pralaya (de dood van het fysieke lichaam) bestaan – behalve in het geval van de dood van het grove lichaam van een jñānī, die zijn identiteit als bewustzijn voorgoed heeft herkend.
Het einde van onwetendheid is bij de dood van het grove lichaam tevens het einde van het subtiele lichaam (sūkṣma śarīra) en het oorzakelijke lichaam. Dan zal er niks meer manifesteren.
Het individuele causale lichaam is niets anders dan māyā, werkzaam op individueel niveau. Als zodanig is het de individuele oorzaak van onwetendheid over iemands ware aard en is het de kiem of ongedifferentieerde oorzaak van de subtiele en grove lichamen van het individu.
Māyā, we zouden kunnen zeggen het causale lichaam op kosmisch of universeel niveau, is onder andere de opslagplaats van het totale karma, in de vorm van ongemanifesteerde intelligentie en kracht, terwijl māyā, opererend op het individuele causale niveau, omdat het onwetendheid is, de wortel is van individuele neigingen, indrukken (vāsanā's), vooroordelen, houdingen.
Het gehele complex hiervan van een individu heet saṁskāra. Deze impressies hebben een bepalende indruk op het intellect, waarin een inschatting plaatsvindt of en hoe te denken, voelen en handelen. Vanwege deze onwetendheid worden de objecten die gesuperponeerd worden (adhyāropa), abusievelijk voor echt aangezien (adyāsa).
Zo is het individuele oorzakelijke lichaam de opslagplaats van het totale individuele karma (sañcita-karma). Hieruit wordt een deel geactiveerd in een mensenleven, dat prārabdha karma heet.
Tenslotte wordt kāraṇa śarīra ook geassocieerd met de ānandamaya kośa. Het kenmerk hiervan is dat subject en object samenvallen, wat het individu het gereflecteerde bewustzijn doet ervaren als zaligheid (bliss).
Als verlangen is geblust omdat een individu het begeerde heeft verkregen, komt deze bliss even bloot te liggen en wordt ervaren.
In diepe slaap (suṣupti) is de mind (buddhi, manas, citta en ahaṅkāra) gedemanifesteerd.
De andere twee lichamen zijn het grove lichaam (sthūla-śarīram) en het subtiele lichaam (sūkṣma-śarīram).
Als bewustzijn geïdentificeerd is met deze drie lichamen noemt men dat een jīva.