Anti-kennis. Onwetendheid is tegengesteld (virodhi) aan kennis (jñāna). Het is namelijk de foute uitdrukking van de ene pure kennis. Daarmee is het niet iets anders dan kennis. Het is foute kennis.
- jnana virodhi
Dit is een manier om non-dualiteit te begrijpen. Omdat bewustzijn oneindig is, is er de mogelijkheid onwetend van zichzelf te zijn in individuele levende wezens. Dit is vanwege āvaraṇa śakti (de verhullende kracht van māyā), versnipperd en in beweging gebracht met zijn kwaliteit vikṣepa śakti (de, scheppende, projecterende kracht van māyā). Maar de onwetendheid is schijnbaar (vivarta), niet werkelijk. In werkelijkheid is alles pure kennis, puur bewustzijn. In gereflecteerde vorm wordt dit de relatieve kennis van de wereld.
Als men denkt dat de objecten van lichaam, geest en wereld echt zijn, dan is men in onwetendheid dat het in werkelijkheid allemaal een oceaan van bewustzijn is, die jezelf bent. Correcte zelfkennis staat aan of uit. Daarom staat in de Bhagavad Gītā 2.69:
yā niśā sarvabhūtānāṁ tasyāṁ jāgarti saṁyamī
yasyāṁ jāgrati bhūtāni sā niśā paśyato muneḥWat nacht is voor alle wezens, daarin is de wijze (saṁyamī) wakker;
en waarin alle wezens wakker zijn, dat is nacht voor de 'ziende' wijze (muni).Daarom is men op individueel niveau in kennis of in onwetendheid. Beide tegelijkertijd kan niet. Het is of/of niet en/en. Twee mogelijkheden van dezelfde medaille van de werkelijkheid. Onwetendheid is in werkelijkheid ook bewustzijn. Jñāna śakti met zijn onthullende kwaliteit sattva is de heldere kracht die mij dit doen zien, als ik de leraar de stellingen van de upanisads hoor uitspreken.
Ik schreef zojuist tegelijkertijd. Of men dan weer terug kan vallen in onwetendheid (het aan en uit 'blinken', noemt James Swartz dat) is punt van discussie geweest in vedānta na Śaṅkara. Sureśvara (vārttika prasthāna), de directe opvolger van Śaṅkara in de Śṛṅgeri Maṭha (Zuidelijke Śaṅkara tempel) en Padmapāda/Prakāśātman (vivaraṇa prasthāna) stellen dat śravaṇa (luisteren naar de guru die de mahā-vākya's van de geschriften uitlegt) volstaat. Vācaspati Miśra (bhāmatī prasthāna) stelt echter dat nididhyāsana (en zelfs samādhi) nodig is voor kennis.
De waarheid ligt in het midden. Het is waar dat kennis van buiten moet komen om individuele onwetendheid weg te nemen, en dit kan alleen śravaṇa zijn. Toch kan kennis in een mind gemakkelijk verschuiven in onwetendheid, zal elke zelf-beoefenaar beamen. Men zal dus keer op keer opnieuw moeten luisteren, het zelf moeten doorredeneren (manana) en de kennis gestand laten houden als issues van het leven zich manifesteren. Evenwel vindt kennis in śravaṇa plaats. Is het zaadje geplant in een gekwalificeerd iemand, dan heeft zij of hij de smaak van vrijheid te pakken, en zal erbij blijven.
Moderne vedānta-leraren maken daarom, naar voorbeeld van Ādi Śaṅkara Bhagavatpādaḥ hemzelf, gebruik van methodieken (prakriyā's) van alle drie de scholen/bronnen/systemen (prasthāna's).
Kennis in de mind is dus of de kennis die iemand vrijstelde van onwetendheid of het is onwetendheid. Dit is allemaal in het relatieve domein. Absolute pure kennis (jñapti, vijñāna) is daaraan voorbij, of gaat daar aan vooraf. Het is bewustzijn zelf, dat wat nooit werkelijk ergens in is verandert (apariṇāma of avikāra).
Een wezen is gemanifesteerd omdat er mūlāvidyā was, potentiële onwetendheid vanwege eerder karma.
Het wezen dat weet manifesteert niet meer, nadat zijn prārabdha (of ārabdha zo u wilt), het karma dat reeds begonnen is een leven af te draaien, is uitgewerkt.