Het subtiele lichaam van īśvara dat functioneert als het gehele (samaṣṭi) subtiele universum, inclusief het geheel (samaṣṭi) van alle individuele (vyaṣṭi) subtiele lichamen (sūkṣma śarīra).
- hiranyagarbha
Het is voor beoefenaars van zelfkennis handig om hiraṇyagarbha te zien als de totale subtiele wereld van alle wezens, of alle subtiele lichamen tezamen in één afstemming, gelijk het subtiele manifestatie niveau van īśvara. In zijn pañcīkaraṇam noemt Ādi Śaṅkara hiraṇyagarbha de vijf rudimentaire, pure elementen (tanmātra) en hun effecten het subtiele lichaam (van het geheel īśvara). De modellen ontleent aan sāṅkhya filosofie vertellen ons dat de guṇa delen van de nog pure elementen volgens bepaalde formules de onderdelen van het subtiele lichaam bouwen (zie sūkṣma śarīra). Op grof niveau combineren en recombineren de tamas delen van deze pure elementen tot de grove objecten van de grove wereld (zie pañcīkaraṇa). Het subtiele lichaam is zo subtiele materie, het grove lichaam is grove materie.
Wat zegt dit ons? Wel, dat we geen afgescheiden entiteiten zijn maar dat er ook op subtiel niveau karmische afstemming is tussen alle levende wezens in het hier en nu. Eén wezen (brahman met schijnbare eigenschappen), één subtiele universele machinerie. Het verschil met niet levende wezens is het onbreken van individuele subtiele lichamen in dode objecten. Alle grove materie tezamen is inert en heet virāṭ of vaiśvānara. Maar de levende objecten zijn ook wel degelijk in een grote connectie met alle grove objecten, door hun subtielere niveau, de oorzaak. Het is een grote non-duale machinerie.
Het is goed om te weten dat hiraṇyagarbha een momentum is, waarin alle karma van alle wezens op elkaar is afgestemd in dit, in wat hier en nu is. Wat morgen staat te gebeuren is nog ongemanifesteerd in het causale lichaam (individueel, kāraṇa śarīra, totaal antaryāmī, de totale afstemming van alles, dat ongemanifesteerd klaar staat om te verschijnen).
De geest is een manifesterend medium voor bewustzijn. Je zou zo hiraṇya (goud) kunnen zien als het stralende bewustzijn dat je mind doordringt. Dit gereflecteerde stralende bewustzijn noemt men bewustzijn. Garbha (van grabh, gelijk grah, ontvangen, verkrijgen of grijpen) duidt dan op het in afwachting zijn van gedachten en gevoelens.
Het is de aard van de geest om te denken en voelen. Onherroepelijk wordt de mind, na diepe slaap (causaal lichaam) weer actief. Dit is het scheppende aspect van hiraṇyagarbha. Dit in afwachting zijn, wordt gesymboliseerd door het word garbha, dat wel vertaald wordt als ei, baarmoeder of zelfs foetus. In afwachting zijn heeft zo een verband met 'in verwachting zijn'. Men noemt hiraṇyagarbha dan ook wel kosmische baarmoeder, of kosmisch ei, maar dit kan al snel misvattingen geven, omdat we het dan vergelijken met de elips vorm van het universum, maar dit is op grof niveau. Hiraṇyagarbha en het individuele subtiele lichaam zijn ongezien (adṛṣṭa).
De gevorderde zelfonderzoeker weet op een gegeven moment, dat het niet zijn gedachten en gevoelens zijn die hem 'bezoeken', maar dat ze īśvara toebehoren, ontstaan volgens neutrale wetmatigheden die vele levens een persoon verhaal vormen. Dit afstand doen van de 'van mij-gedachte (mama vṛtti)' is een immense opluchting. Het concept hiraṇyagarbha wordt zo een levend begrip om mee te werken, en een uitnodiging om het stralende bewustzijn in je mind te herkennen.
De herkenning van de stralendheid (sphurti) van het zijn (sattā) in de mind (waar moet je het anders herkennen?) wordt sattā sphurti genoemd, het lichtende zijn. Dit is iets om te weten. Elke gedachte en elk gevoel is puur bewustzijn met het effect van een upādhi (reflectie van de geest). Het lijkt zo onzuiver, maar is in werkelijkheid altijd zuiver. Evenwel zal degene die leeft in het meest verfijnde domein van de mind, dat dominant door sattva guna wordt bepaald in het subtiele lichaam, zien hoe subtiele en grove objecten oplossen in kennis, en kennis oplost in zichzelf, pure kennis, wat niks anders is dan het zijn zelf, stralend als bewustzijn.
Voor je beoefening is hiermee voldoende gezegd. Ter herinnering: We bouwen eerst altijd een model op om te ontkennen (neti neti of apavāda). Het lijkt er namelijk op dat er iets in, op of buiten bewustzijn geplaatst (adhyāropa) wordt. Hiraṇyagarbha is een concept, dat afhankelijk (mithyā) is van jezelf (onafhankelijk, satya, eindeloos, attribuutloos, vrij bewustzijn).
Maar voor wie het interessant vindt: Er is in de geschiedenis van India veel gezegd over hiraṇyagarbha. Laten we dat eens op een rijtje zetten. We zouden kunnen zeggen: 'Tot nu toe hebben we de lakṣyārtha, de bedoelde, inherente betekenis behandelt, nodig voor de zelfkennis die tot vrijheid leidt'.
Letterlijke betekenis (mukhyārtha of vācyārtha) is dus gouden of stralende (hiraṇya) baarmoeder (garbha). Een begrip waarbij het typisch van belang is om de genuanceerde, geïmpliceerde betekenis uitgelegd te krijgen, die we in het eerste stuk gaven. Het woord is namelijk een soort metafoor. Hiermee is wel gezegd dat het het stralende (vandaar goud) is, van waaruit de kosmos gecreëerd wordt. Net zoals net beschreven werd op individueel niveau dat het gedachten en gevoelens creëert.
In de veda's is dit gepersonifieerd door een godheid als Prajāpati, "heer (pati) van alle wezens (Prajā). In de Ṛgveda (10.121) wordt Hiraṇyagarbha aldus aangekondigd als de oorspronkelijke schepper:
hiraṇyagarbhaḥ samavartatāgre bhūtasya jātaḥ patir eka āsīt "In het begin was Hiraṇyagarbha, de eerstgeborene van de schepping, de heer van alles wat bestaat."
Dit benadrukt Hiraṇyagarbha als de subtiele bron waaruit het universum voortkomt, of hiraṇyagarbha als de eerste meest subtiele fase van (schijnbare) manifestatie. Later in de Purāṇas wordt de scheppergod Brahmáji genoemd. Vandaar het gouden ei, maar niet als een vorm, maar als de subtiele essentie waar manifestatie uit voorkomt.
Vedantins kunnen dit soort scheppingsverhalen als volgt interpreteren: Matsya Purāṇa beschrrijft dat na de grote oplossing van het universum (mahāprālaya), er alleen maar duisternis was. Dit is een metafoor voor het causale lichaam (kāraṇa śarīram). Alles was in een ongemanifesteerde diepe slaaptoestand zonder objecten. Er was niets, noch bewegend noch statisch. Toen ontstond Svayambhu, een mooi begrip, namelijk het zichzelf manifesterende wezen, een vorm die de zintuigen te boven gaat. Het schiep eerst de oerwateren en plaatste daarin het zaad van de schepping. Het zaad veranderde in een gouden baarmoeder, Hiraṇyagarbha. Toen trad Svayambhu in dat ei of in die baarmoeder, een metafoor voor de manifestatie van subtiele werelden (sūkṣma śarīrāḥ) Als het gouden ei uitkomt manifesteert de grove wereld (sthūla śarīram).
In Advaita Vedānta, krijgt Hiraṇyagarbha, met name bij Śaṅkarā een meer filosofische en ontologisch subtiele betekenis:
Hiraṇyagarbha is de samengestelde totaliteit van alle individuele subtiele lichamen (sūkṣma śarīras). Zo is het de kosmische subtiliteit van prāṇa, manas, buddhi, etc.
Hij is dus niet een 'persoon' met een vorm, maar een sāmāṣṭi (collectief) beginsel, net zoals:
Vaiśvānara zijn alle collectieve sthūla śarīra's, grove lichamen tezamen (fysiek). Hiraṇyagarbha zijn alle collectieve subtiele lichamen tezamen. Īśvara wordt dan met name gezien als alle collectieve kāraṇa śarīra (causaal). Dit laatste duidt op het aspect van Īśvara als intelligentie/kennis en het feit dat alles kennis is.
Zo wordt hiraṇyagarbha dus wel eens als kosmische of universele mind genoemd. De belichaming van alle subtiele devatā's (buddhi, intellect, manas, geest, citta, geheugen, ahaṅkāra, ego, jñānēndriya dēvata, de kennisorganen in het subtiele lichaam, karmēndriya dēvata de actieorganen in het subtiele lichaam, prāṇāḥ etc.).
Het is het eerste en opperste geschapen wezen door wie īśvara het subtiele aspect van het universum manifesteert. Daarom wordt hiraṇyagarbha wel gezien als het totaal (samaṣṭi) van alle subtiele lichamen (sūkṣma-śarīra) van alle individuele (vyaṣṭi) jīva's.
Hiraṇyagarbha is dus de totaliteit van alle subtiele lichamen (inclusief alle intellecten (buddhīḥ), minds (manāḥ) en energie-lichamen (prāṇāḥ)). Daarbinnen heten die respectievelijk:
Mahat tattva, de totaliteit van alle intellecten, hiraṇyagarbha in meest subtiele, specifieke zin, en sūtrātmā, de totaliteit van alle energielichamen. Deze zijn respectievelijk de oorzaak en ondersteuning voor alle vyaṣti (individuele) vijñānamaya kośas, manomaya kośas en prāṇamaya kośas, net zoals een oceaan de oorzaak en ondersteuning is voor al zijn golven.
Hiraṇyagarbha kan ook beschreven worden als brahmā, de scheppergod, degene in wie kennis van de hele kosmos is gemanifesteerd, dus de jñāna śakti, het vermogen om grenzeloos te weten. Kriyā śakti, het vermogen om de wereld te creëren, in stand te houden en op te lossen. Icchā śakti, het vermogen om te verlangen of te willen.
Het individuele of vyaṣṭi aspect is taijasa, de dromer in wie deze vermogens beperkt zijn. Hiraṇyagarbha staat ook bekend als eerste kāryambrahma (kārya betekent effect) omdat het de eerste fase, namelijk het subtiele domein is in de opkomst van de kosmos vanuit zijn oorzaak, kāraṇambrahma (antaryāmīśvara).
Kāryambrahma is ook een naam voor de gehele grove wereld, aangezien zowel de subtiele als de grove wereld effecten of manifestaties, kāryams, van brahman zijn.