Huishouder. Tweede van de vier āśrama’s, stadia van het Vedisch (vaidika) leven.
- grhastha
Voordeel van een aspirant voor vrijheid die nog in het dagelijks economisch leven staat is dat zijn of hij zijn zelfkennis grondig kan beoefenen en beproeven.
Wij moderne beoefenaars zijn bijna allemaal gṛhastha's in die zin.
Traditioneel is men getrouwd in dit stadium met een gezin en kinderen, en een werkend levend. Het primaire doel van deze fase is om emotioneel te rijpen door een leven van dharma te leiden ter voorbereiding op mokṣa, en ten tweede om te helpen dharma te bestendigen door zijn/haar kinderen te laten zien hoe ze het moeten volgen.
Traditioneel voerden gṛhastha's agnihotra uit, een eenvoudig, tweemaal daags Vedisch vuurritueel met offergaven en mantra's, die alleen door getrouwde mensen mag worden uitgevoerd. Het genereert puṇya, en is het kleinste van de vuurrituelen die zijn voorgeschreven in de karma kāṇḍa van de Veda. Het moet met de bijbehorende offergaven en mantra's door een man worden uitgevoerd vanaf de dag van zijn huwelijk (er bestaat nu een vervangende pūjā voor dit ritueel).
De andere drie āśrama's zijn: brahmacaryam, studentschap; vānaprasthaḥ, terugtrekking; sannyāsaḥ, verzaking.
Er is een verschil met een ander type huishouder, de mahāśāla. Dit is een leraar met een huishouding (een mahāśāla) die open staat voor leerlingen.
Deze moesten haar of hem, traditioneel (in de oude tijden) als zoekers van brahma vidyā, benaderen met een klein bundeltje twijgjes (samidh) van de pippala (peepal), banyan of bodhiboom in één hand (pāṇi),
De twijgjes vertegenwoordigen de bereidheid van de leerling om de leraar op een praktische manier van dienst te zijn (hout als brandstof voor rituelen) uit dankbaarheid voor de leer.
Als de guru een sannyāsī is, wordt het niet aangenomen, omdat een sannyāsī geen rituelen uitvoert. Deze leraar is dan dus geen mahāśāla. Aan die leraar wordt eventueel iets symbolisch aangeboden, maar met name een houding van overgave en vertrouwen (śraddhā) in de lessen.
Tegenwoordig gaat het dus meer over de innerlijk huis'houding' dan de uiterlijke huishouding. Maar net als twijgjes als brandstof voor rituelen een functie hebben, kan de moderne discipel een bijdrage leveren aan een mooie, schone, stille satsang en een mooie aankleding van het spreekgestoelte (kaarsje, beeldje, bloemetje). Dit voedt zijn devotie en kwalificaties als betrokkenheid en focus. Een ander voorbeeld is iemand die een seminar organiseert voor een vedanta-leraar, met de nodige moeite en middelen.
Het verschil tussen een mahāśāla en een gṛhastha is dat de eerste bij wijze van spreken zijn huis als een grote (mahā) zaal (śāla) heeft ingericht voor devotie en onderwijs.
De gṛhastha is dus meer de student of disciple zelf, die nog een werelds leven leidt, en een huishouden voert. Beide zie je bij de zieners (de ṛṣi's) in de oude tijd terug.