Eénheid. Onverdeeldheid. Eenheid duidt de enkelvoudige werkelijkheid aan die het bestaan van alles is, en dat bewustzijn is.
- ekatva
Al met al wordt er liever over advaita (non-dualiteit) gesproken in vedānta, 'niet twee', in plaats van meteen roepen "alles is één". Dit komt omdat wij wel dualiteit ervaren. Dus we starten bij tweeheid- of veelheid (dualiteit) om de aspirant voor vrijheid naar non-dualiteit te leiden.
Als we het direct over eenheid hebben (zoals in veel moderne satsang-spiritualiteit, neo-advaita) raken we in de war, want we hebben geen verklaring waarom er wel een veelheid verschijnt. Vedānta legt dit secuur uit (māyā-lessen etc.)
De dualiteit die door alles heenloopt, is die tussen het subject en het object. Daar is een mens in verwarring (onwetendheid, avidya). Elk mens ervaart een zelf-evident zelf, wat we 'ik' noemen. Maar de gedachte 'ik' in de mind wordt meestal voor het 'juiste zelf' aangenomen. Maar dit 'ik' neemt steeds andere rollen aan. 'Ik ben dit, ik ben dat, ik doe, ik geniet, ik ervaar etc.', terwijl het zelf altijd (nitya) hetzelfde is, en zonder rollen. De rollen en ideeën over mijzelf, verschijnen aan mij.
Dus eerst deze basis-dualiteit onderscheiden (viveka). Dan komt de non-duale les, dat elk object, elk verschijnsel, alles wat ik gewaar ben, niets anders is dan een tijdelijke uitdrukking van mijzelf puur gewaarzijn. Het waargenomene en gewaarzijn zijn één (eka), niet-twee (a-dvi). Dat ben ik.
'Eka ātmapratyaya sāra' staat er in vers 7 van de Māṇḍūkya-Upaniṣad. Mijn essentie is de enige werkelijkheid die ik al ben, dat continu is, en het enige dat is.