- duhkha
Dit lijden van een mens is logisch en aangeboren. Vanwege onwetendheid van zijn volle natuur als puur bewustzijn, wordt een mens afhankelijk van materiële wereldse zaken. Ergens voelt een mens wel aan dat er iets niet klopt. Daarom is een mens onrustig en wordt een zoeker. Vedānta vertelt je dat je wel vol (pūrṇa) bent als het bestaan (sat) zelf, schijnend als bewustzijn (cit). Dan ben je een vinder, en wordt de uitdaging om te begrijpen dat lijden niet hoeft, dat lijden een keuze is.
Alles is volmaakt. Zowel de pure waarheid van jezelf, als de onberispelijke wetten van de dualiteit, waarlangs het leven verloopt.
De eerste stap is deze wetten te begrijpen, weten waar ze vandaan komen (īśvara als brahman met eigenschappen) en er toegewijd gebruik van te maken. Dat levert ten eerste verlichting op van het lijden, een sattvische geest en relatief geluk.
De tweede stap is inzien dat je vrij bent van het lijden met correcte zelf-kennis. Waarom ben je vrij van het lijden? Omdat je svarupa (je ware natuur) vrij is van de persoon en wereld die verschijnt.
Maar eerst moet je jezelf prepareren op relatief niveau leidt met begrip van dharma en īśvara. Dan zie je in hoe wonderbaarlijk consequent en neutraal alle wetmatigheden van het leven zijn, inclusief de wetten van karma. Dit leidt zoals gezegd tot een relatief geluk, verfijning en balans om te begrijpen dat je op absoluut niveau vrij bent van lijden (duḥkha) en geluk (sukha).Nog een keer anders gezegd: Er is het onheilspellend gevoel niet ok te zijn. Dit gevoel is terecht, omdat een wezen in feite volledig ok is als bewustzijn. Maar de visie dat ik bekrompen, beperkt en afgescheiden zou zijn, levert zelf-oordelen op en gevoelens van minderwaardigheid. Dan wordt een mens actief. Zij of hij probeert van alles neer te zetten in het leven. Zij of hij probeert zich van alles toe te eigenen, zowel materieel als intellectueel gewin.
Zichzelf vergelijken met anderen is daarbij een sterke kracht. Vandaar ook de waarde in het begin van Hoofdstuk 13 van de Bhagavad Gītā van amanitva: Geen trots of minderwaardigheid, bescheidenheid, en vooral niet uit zijn op respect. Mezelf vergelijken met anderen is altijd een recept voor ellende, en levert hooghartigheid of jaloezie (matsarya) op! Iemand zegt daarmee eigenlijk: Ik kom tekort, ik heb het nodig, ofwel ik ben in nood. Allemaal vormen van lijden zonder dat mensen het vaak doorhebben. Ook arrogantie, je beter voelen dan een ander, is voer voor lijden, want een mens is dan afhankelijk van zijn status of onterechte zelfbeeld, en leeft met de onrust deze status niet te verliezen.
Helaas is het een feit dat je als individu in de wereld nietig bent en gemaakt om bij te dragen. Iedereen die probeert te winnen in de wereld, zal zijn neus stoten en onherroepelijk verliezen. De dualiteit zal foutloos zijn werk doen, en je naar het neutrale nulpunt brengen, keer op keer.
Zij die dat inzien komen naar kennis-middelen tot vrijheid als vedānta. Vedānta zegt: Lijden is niet nodig, realiseer je ware natuur door te luisteren naar de leraar die de teksten van de Upaniṣads uitlegt, en geniet vervolgens van het spel van dualiteit.
Veel spirituele tradities, zoals het Boeddhisme stellen dat verlangen lijden is en niets oplost. Dit klopt. Maar vedānta gaat een stap verder. Waarom is er verlangen? Verlangen en lijden zijn een gevolg! De oorzaak is de onwetendheid van mijn volle gelukzalige natuur. Vervolgens lijd ik onder de restrictieve gedachten die opkomen over mijzelf en de werkelijkheid. Dit is volstrekt logisch.
De sterke kracht van verlangen kan gesublimeerd worden in een verlangen naar vrijheid. Daar is vertrouwen voor nodig. In de leraar en de teaching en vervolgens in het leven, zoals īśvara ons voor-spiegelt.
Neem een dier. Deze lijdt pijn en angst, maar is natuurlijk afgestemd met bloei en verval. Een mens denkt echter na over zijn situatie, raakt ontevreden en wil meer en meer. Een mens is ook een dier, maar meer een rupsje nooit genoeg.
Eerst willen we zekerheid en veiligheid (artha). Maar dit gaat inherent niet lukken. Dan willen we iets voorstellen op materieel gebied, aanzien, sex, macht (verlangen kāma), dan willen we zogenaamde problemen van de dualiteit oplossen door goed te doen (dharma). Dit gaat ook nooit lukken. Alle dynamieken en valkuilen van het leven zijn simpelweg kennisgebaseerde wetmatigheden van een dualiteit die nergens toe leidt. Ja, het leidt tot de dood van het lichaam, en de doorstart met dezelfde issues in een nieuw leven. Als dat geen lijden is, zonder dat een achteloos boreling dat weet?
Toch heeft een mens het geluk dat het haar of zijn vermogen tot reflectie kan aanwenden tot kennis, als het hem gegeven is (kṛpā, genade). maar om toe te geven dat wat ik tot nog toe dacht onwetendheid is, is een hele moeilijke. Daarvoor moet ik mij eerst overgeven, met bijvoorbeeld karma yoga. Maar je kunt je niet uit het lijden leven. Ik moet kennis hebben over hoe het zit. Dan kan ik zien dat ik altijd al zonder lijden was (vrij, mokṣa).
Duḥkha kan betekenen verdrietig zijn, pijn lijden, ellende, somberheid, problemen. Dit zijn allerlei negatieve woorden. Duḥkha komt van sanskrietwortel duh, pijnigen. Wanneer men afwijkt van dharma, alle wetten van afgestemd leven, behaalt men mindere resultaten (pāpa karma) en de mate waaronder men lijdt heet dan duḥkha.
Maar dan: We hebben altijd de mogelijkheid om te leren, waarom ik zo lijd. Lijden is dus een middel om te leren. Vermeende mindere resultaten van actie hoeven niet als negatief te worden opgepakt, maar als een leermoment. Als men begrijpt dat elk gevolg een karmische oorzaak heeft, kan men het de volgende keer anders doen.
Als gedachten in de geest mij ogenschijnlijk pijnigen, is er de mogelijkheid om in te grijpen. Hulp van een wijs iemand is daarbij gewenst. Wie slim is stelt zich open en scant in zijn omgeving waar hulp beschikbaar is. Daarvoor is natuurlijk ook een leraar. Maar lijden zelf trekt dekens van mist op in de geest (tamas), en het vergt al enige sattvische wijsheid om hieruit te breken en je lijden werkelijk kwetsbaar aan te gaan en je open te stellen voor kostbaar advies. Dé vraag aan een leraar zou namelijk moeten zijn: 'Waarom lijd ik hieronder, waarom lijd ik daaronder?'. Maak het specifiek! Wie dit soort vragen durft te stellen, zet rappe schreden richting emotionele volwassenheid en vervolgens vrijheid.
In vrijheid kan er wel pijn zijn, maar geen lijden. Men weet namelijk volledig dat men vrij is van fysieke pijn. Ook geestelijke lijden geldt niet voor vrijheid. In eerste instantie is de geest, het intellect in het bijzonder, de plek waar kennis huist. Maar bovenal is de jīvan mukta vrij van de geest, net zoals jīvan mukta vrij is van het lichaam. Dat wil niet zeggen dat een jñāni geen emoties heeft, zij of hij kent alleen de status ervan, en beleeft emoties als vormen van de schoonheid van zichzelf.
Eenmaal in kennis hoeft men niet bang meer te zijn voor het lijden. De werkelijkheid is neutraal. Relatief gezien is er net zoveel lijden als geluk. Tegenover duḥkha staat sukha, geluk als gevolg van goede resultaten (punya karma). Duḥkha en sukha komen onderaan de streep op nul uit, heffen elkaar op. Zowel in het beginloze saṁsāra als in werkelijkheid.
De vrije (mukta) van zijn geest zal niet meer chronisch verdrietig zijn en geniet van het spel van duḥkha en sukha dat zich aan haar of hem toont. Iemand evenwel die hooghartig zogenaamd gelukkig is, zal door īśvara (de objectieve realiteit) weer met beide voeten op de grond gezet worden. Talrijk zijn de getuigenissen van heiligen die flink getest worden om het leven te beproeven.
Toch is dit voor de mukta, degene die volledig beseft dat zij of hij er vrij van is anders. Die zal volledig overtuigd weten: 'Wat er ook door die deur van het leven komt, ik ben er klaar voor, want ik ben er vrij van'.
Het doel is dus vrij te zijn van zowel duḥkha en suhka. Het resultaat is relativerend plezier om de grap van haar of zijn beleving. Dat vergt soms enige relatieve verdraagzaamheid (titikṣā of sahana). Wat maakt het uit? In Bhagavad Gītā vers 2.14 zegt Kṛṣṇa tegen Arjuna:
mātrā sparśās tu kaunteya
śītoṣṇa sukha duḥkha dāḥ
āgamāpāyino ’nityās
tāṁs titikṣasva bhārata"O zoon van Kuntī, de tijdelijke verschijning van geluk en verdriet, en hun geleidelijke verdwijning, zijn als het verschijnen en verdwijnen van koude en warmte. Ze ontstaan door zintuiglijke waarneming, o telg van Bharata, en men moet leren ze ongestoord te verdragen (titikṣā).
Al met al is leed te wijten aan de beperking die wordt gevoeld in gefrustreerde of onvervulde verlangens. Angst is hierbij de bevestiging van de overtuiging onvervuld zijn. Angst is zo het omgekeerde verlangen naar heelheid. En het uitleven van verlangen is de compensatie van de basisangst beperkt te zijn. Die beperking is te wijten aan waanideeën, aviveka (gebrek aan viveka, onderscheidingsvermogen), die op haar beurt haar oorsprong vindt in avidyā, onwetendheid over de eigen ware aard.
Zo komen we op het punt van vedānta. James Swartz zegt altijd: 'De enige agenda die vedānta heeft is 'dat lijden onnodig is'. Vrijheid is namelijk ook 'ātyantika duḥkha nāśaḥ', volledige vernietiging van lijden.
Śoka, verdriet betekent ongeveer hetzelfde, maar is over het algemeen iets meer weggelegd voor de emotie die bij duḥkha hoort. Duḥkha betekent dan lijden vanwege misverstand en daarbinnen śoka, wat meestal wat meer de systemische verdrietige emotie betekent.
Betekenissen van woorden zijn natuurlijk afhankelijk van de context. Kṛṣṇa opent zijn lessen in de Bhagavad Gītā aan Arjuna namelijk met de woorden:
(śrī bhagavān uvāca:)
aśocyān anvaśocastvaṁ prajñā vādāṁśca bhāṣase
gatāsūn agatāsūṁś ca nānuśocanti paṇḍitāḥTerwijl je woorden van wijsheid spreekt, treur je (anvaśocastvaṁ) om wat geen verdriet (aśocyān) verdient. De wijzen treuren (nānuśocanti) noch om de levenden, noch om de doden.
Hier zijn de betekenissen van de woorden śoka en duḥkha gelijk.
Meld je aan voor de nieuwsbrief
(verschijnt hooguit enkele malen per jaar)
Eerder verschenen nieuwsbrieven
– oktober 2024 (Dutch)
– october 2024 (English)