Alle neutrale wetmatigheden en waarden van de goddelijke, empirische werkelijkheid. In lijn met dharma leven betekent goed karma. Afwijken betekent slecht karma. Dharma is het tussenstation voor vrijheid.
- dharma
Het Hindoeïsme heet ook wel 'sanātana dharma', permanente, eeuwige dharma.
Dharma in de ruime betekenis staat gelijk aan de goddelijke orde van de schijnbare werkelijkheid. Het woord komt van de Sanskrietwortelvorm dhṛ, dragen. Zo betekent het zowel de drager īśvara als dat wat gedragen wordt, de manifestatie. Het is goddelijk omdat het een afstraling is van dat wat altijd goed is (śiva, śreyas).
De wereld met al zijn fysische (biologische), ethische en psychologische wetten is de materiële uitdrukking van een perfect harmonische, stralende orde. Deze orde is neutraal en prachtig neergezet.
De dharma van vuur is heet zijn, zijn brandende kwaliteit, de dharma van suiker is zoet zijn etc. De dharma van materie is ruimte innemen, of een dans uitvoeren volgens strikte fysische wetten. De dharma van een wolf is andere dieren opjagen. Als dat niet zo zou zijn stort de kosmos in.
Maar nu de mens. De mensheid heeft een bijzondere positie in het geheel. Met het denkende, reflectieve vermogen in het innerlijke instrument blijkt de mens de harmonie te kunnen verstoren, of te doorzien met kennis, wat tot volle tevredenheid leidt. We kunnen stellen dat de collectieve mensheid afwijkt van de dharma. Dit levert een verstoorde leefomgeving op.
Het is een bijzondere uitdaging om mens te zijn. In staat tot het mooiste, in staat tot het slechtste. Natuurlijk, ook dieren kunnen ongebalanceerd verdrag vertonen, denk aan het spoor van vernieling dat een dolle olifant trekt. Maar over het algemeen doen dieren zo'n beetje wat ze doen. Maar wat is het individuele dharma (svadharma) van een mens? Dit lijkt ingewikkeld.
Maar vedānta toont aan, dat de svadharma van een mens simpelweg is vrij te zijn. Waarom? Door ons existentiële vervreemding zijn wij mensen altijd op zoek naar zingeving. Of op zijn minst zijn mensen bezig om uit gevoelens van beklemming en gebondenheid te komen. En wat doet de mens dan in zijn onwetendheid? De mens denkt dat exploitatie van zijn omgeving en dus de aarde, ja tegenwoordig zelfs de kosmos, de oplossing is. Terwijl we alleen maar uit onwetendheid hoeven te komen. Wezens die niet meewerken aan de goddelijke wetten van het universum, handelen onwetend, verstoren de harmonie, en ontwikkelen slecht karma (pāpa). Dharma en karma zijn onlosmakelijk verbonden. Dit is het menselijke dharmische spanningsveld: Door middel van ‘goed leven’ aansluiting vinden bij god's dharmische orde (īśvara-sṛṣṭi), en er dan uitstappen.
Deze totale dharma (sāmānya dharma of sādhāraṇa, gewone dharma) is onpersoonlijk en geldt voor iedereen. Dieren en planten gedragen zich vanuit hun natuur (svabhāva) volgens deze orde. De natuur is een wonderbaarlijke mechaniek, waarin alles op elkaar inspeelt.
Mensen zijn denkende wezens (manuṣya), met zelfreflectie. Zij hebben de uitdaging om (dharmische) keuzen te maken op basis van een heel complex aan kennis. En een specifieke vorm van kennis is de onwetendheid om te functioneren alsof we een autonoom individueel afgeperkt wezen zijn. Dit geeft een gevoel van vrije wil. We denken ergens dat we afgescheiden zijn, en voor onszelf moeten zorgen, en dat we ons leven vorm moeten geven.
Zo zijn mensen in staat de dharma te bevestigen of te verstoren (denk aan zinloos geweld, klimaat-problematiek). Zo krijgen we mensen die moreel afglijden en mensen met een zuiver hart. Het grote voordeel (prayojana) van juist handelen is dat het ons dichter bij vrijheid brengt, omdat een geest zonder wereldse problemen, stress, verlangens en zorgen helder is om de werkelijkheid te leren begrijpen.
Īśvara heeft een gevoel of beleving van twijfel en vrije wil in onze geest geprogrammeerd. De twijfel om op zoek te gaan naar waarheid, en het gevoel van keuzevrijheid om ervoor te kunnen kiezen. Dit kiezen is begrijpen wat mijn ware natuur is. De twijfel om te stellen: Het gedoe van dit leven kan niet waar (terechte twijfel) zijn. Het gevoel van vrije wil is aanwezig, om uit de relatieve orde saṁsāra, in het absolute zijn te stappen. Met één mentale stap. Door te begrijpen. Daarom is dit de directe, onmiddelijke manier (aparokṣa). Daarom stelt men dat het de onmiddelijke denkvrucht (phala vyāpti, zie daar) is die zelfkennis brengt, onafhankelijk van enige beeldvorming (vṛtti vyāptiḥ, zie daar) over de (buiten)wereld.
Waarom is dit dus de enige reden voor vrije wil? Iedereen weet dat we als individuen totaal afhankelijk zijn, zowel in onze geest als in ons lichaam voor ontelbare factoren buiten onze geest en buiten ons lichaam over hoe het leven loopt. Karma yoga is hiervan het bewijs, de toegewijde geeft alles mentaal terug waar het hoort: Eén systeem van wederzijdse afhankelijkheid. Bovendien bevestigt hersenonderzoek dat acties al ingegeven zijn, voor de persoon er zich van bewust is. De kosmos is een gigantisch systeem, de manifestatie van één goddelijke dharma, en het individu is daar een micro-radartje in.
In saṁsāra, in mithyā is geen vrije wil. Het is een gevoel van vrije wil. Het lijkt maar zo. Alle wil is een reflectie van de ‘wil’ om jezelf, de werkelijkheid te begrijpen. Om uit dat knagende gevoel van ontoereikendheid en ontevredenheid te komen. Zolang ik objecten wil, is vrije wil een wassen neus, want alle objecten zijn afhankelijk van elkaar in een groot kosmisch systeem. Geen plafond kan er zijn zonder muren. Een relatie is gebaseerd op wederzijdse afhankelijkheid. Zelfkennis kan wel onafhankelijk van objecten plaatsvinden. Dit is God's uitnodiging. Daarom is er vrije wil om te groeien via de dharma naar vrijheid door inzicht.
Dharma en karma gaan bij een mens hand in hand. Goed karma ontstaat als een actie aansluit bij dharma. Slecht karma als dharma wordt overtreden. Zo ontstaat de betekenis van dharma als ethiek. Als er dan nog een beetje kennis bijkomt van īśvara veranderd karma snel, van iets wat iemand drijft (sakāma karma) tot verlangens naar karma voor spirituele groei (niṣkāma karma) zonder (niṣ) wereldse verlangens (kāma).
De svabhāva (roeping, individueel karma dat zich uitwerkt in dit het leven, hier en nu) van een mens kan zo in één leven flink veranderen als men bewust leeft, oefent en bewuste keuzen maakt richting vrijheid. Van een saṁsārī (iemand die een werelds leven lijdt), naar een karma yogī (iemand die een werkelijk spiritueel leven leidt), naar een jñāna yogi (iemand die zelfkennis beoefent). Dit is de reikwijdte waarin een mens leeft. Zelfonderzoek komt van iemands svadharma, via de objectieve sāmānya dharma van īśvara, tot het begrijpen van iemands ware aard (svarūpa), voorbij dharma en adharma.
Dharma is zo het speelveld om te groeien, om volwassen te worden en zich te kwalificeren, rijp voor de waarheid. Het volgen van dharma in lijn met īśvara's creatie, brengt een evenwichtig leven in de zin van puṇya, goed karma. Dan zal uiteindelijk de setting gecreëerd worden, dat ik de waarheid hoor en realiseer.
Dit wordt het specifieke, momentane dharma (viśeṣa dharma) van een leven wezen genoemd. De jīva wordt in situaties geplaatst, om te leren, om zich te prepareren voor vrijheid, mokṣa. De situatie is dan altijd een uitnodiging het juiste te doen. Viśeṣa dharma is dus situationeel dharma. Wat vertelt deze situatie mij? Wat kan ik hier leren begrijpen?
Het is een enorme winst als ik begrijp, dat als ik mij ergens slecht over voel, ik niet denk volgens dharma. Dat ik mij realiseer dat ik niet dans op de maat van god's creatie (īśvara sṛṣṭi). Dat ik mijn karma yogīsche geest niet op orde heb, omdat ik īśvara resultaten niet accepteer. Daarvoor is ook relatieve kennis nodig, zoals kennis van psychologische wetten, om mijn afweer-, overlevings- en projectie-mechanismen te begrijpen. Als ik zie hoe dat bij mijzelf werkt, kan ik het ook bij de ander herkennen. Dan kan ik met empathie en compassie, onwetendheid tegemoet treden.
Dan relateer ik moeiteloos, omdat ik zie dat de ander het ook niet helpen kan vanwege onwetendheid. Bijna iedereen leeft, in allerlei gradaties, in persoonlijke subjectieve werelden (jīva sṛṣṭī).
Maar de wijze handelt automatisch, vanzelfsprekend en spontaan op de juiste manier. Zijn of haar motor is namelijk de dharma van īśvara, zonder dat zij of hij daarover na hoeft te denken. De wijze is bewustzijn. En daarom heel en alleen. De mind die in hem verschijnt is dharmisch, en dus een afspiegeling van dat wat altijd goed is. De wijze heeft een mind die geen andersheid (ananya manasa) ervaart, en omarmt innerlijk alles en iedereen in zijn gelukzaligheid (ānanda). Dan vallen individueel dharma (viśeṣa dharma) en totaal dharma (sāmānya dharma) samen.
De formele definite van dharma gevonden in o.a. de Mahābhārata (śānti parva, hoofdstuk 109) en de Manusmṛiti 6.92 luidt: dhāraṇāt dharma ityāhuḥ dharmo dhārayati prajāḥ: ‘Dharma is naar men zegt datgene wat alle wezens in stand houdt en ondersteunt’.