Letterlijk, dat wat straalt. Fem: devatā of devi. Een deva is dus een afspiegeling van de svarūpa (ware, echte aard) van īśvara, dat het pure licht van bewustzijn is.
- deva
Zo kunnen we een deva zien als gereflecteerd bewustzijn van een idee (Mitra, vriendschap, Soma, onsterfelijkheid) of een object (Agni, vuur, Sūrya, god).
Het zijn dus specifieke kennisprincipes en potentiële krachten, waardoor iets specifieks zijn bestaan heeft. Dit betekent dus dat deva's aspecten van de goddelijke īśvara uitdrukken.
Deze goden (deva’s) vertegenwoordigen dus vaak natuurlijke krachten én psychologische of spirituele principes. Tien belangrijke deva's uit de Veda's zijn:
1. Indra – koning van de goden, heerser over de hemel (Svarga) en god van donder en bliksem. Prominent in de Ṛgveda.
2. Agni – god van vuur en offer; bemiddelaar tussen mensen en goden. Centraal in vrijwel elk Vedisch ritueel.
3. Varuṇa – god van kosmische orde (ṛta) en de wateren; waakt over morele wetten.
4. Soma – god van de soma-drank én de maan; staat voor inspiratie, extase en onsterfelijkheid.
5. Vāyu – god van de wind en levensadem (prāṇa); essentieel voor leven en beweging.
6. Sūrya – zonnegod; symboliseert licht, kennis en zicht.
7. Mitra – god van vriendschap, verbondenheid en het bewaren van overeenkomsten.
8. Rudra – woeste vorm van Śiva; god van stormen, genezing én destructie.
9. Pūṣan – beschermgod van reizigers en vee; begeleidt zielen naar het hiernamaals.
10. Aśvinau – tweelinggoden van genezing en verlichting; rijders van de gouden wagen bij zonsopkomst.
Alle deva's vormen één īśvara ofwel de ene non-duale īśvara lijkt uiteen te vallen in vele verschillende entiteiten. Īśvara is dus het geheel (samaṣṭi) van de overeenkomstige deva-delen (vyaṣṭi's).
In de Veda's is deva een algemene term voor een natuurlijk fenomeen, dat correspondeert met een specifiek zintuig (indriya). Deva's worden gezien als specifieke manifestaties van de Heer (meestal in de vorm van wetten, zoals de wetten van de optica die het zien bepalen). Het kunnen ook de vijf elementen zijn: ākāśaḥ, ruimte, vāyuḥ, lucht, agni, vuur, āpa, water, pṛthivī, aarde, overeenkomstig de vijf zintuigen horen, voelen, zien, proeven en ruiken.
Dit is terug te brengen tot de vroege Vedische tijd, toen natuurreligie een universeel principe was. Mensen keken naar de natuur en aanbaden specifieke elementen daarvan terecht als goden.
Vandaar dat de natuurelementen en de zon en de maan beschreven worden als deva's. Later kwam pas het hele pantheon van goden op in de Purāṇa's, zoals Gaṇeśa, Viṣṇu en Śiva die als Rudra voorkwam in de Veda's als de deva van storm, destructie en genezing.
De opkomst van de Purāṇa's hangt samen met de toenemende complexiteit van de samenleving door landbouw en urbane ontwikkeling. Mensen werden afgeleid, begrepen de kernboodschap van de Veda's niet meer, en kregen de waarheid te horen in gecodeerde, behapbare mythen en verhalen, met allerlei Deva's, die nu meer de betekenis kregen als goden, zoals in vele universele mythologie. Op die manier worden ze nog door veel Hindoeïsten aanbeden. Het mooie van het Hindoeïsme is de gelaagdheid ervan. Je vindt er duale vormen van religie in terug tot aan de nonduale devotie van de Upaniṣads.
Maar complex of niet, deva's bleven uitdrukkingen van īśvara's kracht en kennis. Bijvoorbeeld Sarasvatī of Dakṣinamurti van kennis. Of Lakṣmi van welvaart en voorspoed.
Zelfonderzoekers kunnen deva's gebruiken om te mediteren op een element van het goddelijke. Het gereflecteerde licht van een godswonder aanschouwen, is eigenlijk het pure licht van īśvara aanschouwen is eigenlijk je eigen ware, non-duale natuur aanschouwen.
Zo kun je zien dat het je eigen licht is, die de deva doet schijnen. Het fijne van het alles aanbidden als ware het deva's is het geluk dat hier bij komt kijken. Non-duale devotie (parabhakti, liefde) is de hoogste haalbare vrucht van het bestaan en de culminatie van schijnbaar mens zijn. Pure gelukzaligheid.