Het geheugen. De kracht van herinnering. Een van de vier functies van het innerlijke instrument (antaḥkaraṇa). En dus onderdeel van de subtiele geest (sūkṣma śarīra).
- citta
Dit is de persoonlijke database van neigingen, impressies, feiten en weetjes opgeslagen in het totale warenhuis dat īśvara heet. In dit geval is īśvara de antaryāmī, het totale causale lichaam, met het totaal van alle citta's opgeslagen. Het geheugen bestaat ook uit individuele indrukken uit vorige levens.
Op basis van karmische wetten leeft het individu zijn leven, en zullen gebeurtenissen in het uiterlijke leven van de waaktoestand het geheugen triggeren, of zal het geheugen autonoom actief zijn in de besloten ruimte van het innerlijke instrument zelf, de droomtoestand. Dit laatste is niet meer dan een spel van manifesterende aspecten uit citta, het geheugen.
Het is belangrijk te beseffen dat wapenfeiten van het geheugen gewoon pure informatie is, en daarom neutraal. De onwetenheid dat we denken dat we een afgescheiden, beperkt individu zijn, geeft het allemaal een subjectief tintje.
In feite wordt er niet meer dan één gedachte tegelijk gegenereerd uit het geheugen, vandaar de enkelvoudigheid van een leven van een jīva. Īśvara is alles tegelijkertijd. De film van het leven is niet meer dan een schijnbare aaneenschakeling van oneindig snelle beelden uit bewustzijn van bewustzijn in bewustzijn, die mij een leven voorspiegelen.
Hoe kan ik het geheugen juist aanwenden? Door het te voeden en trainen met juiste kennis van dharma en waarheid van mezelf. Als het persoonlijke leven van de jīva die verschijnt is afgestemt met het geheel, zal mijn geest de harmonie hebben gevonden om mijn ware natuur te begrijpen. Dan zal ik als vanzelf juiste acties doen en de complete kennis van de werkelijkheid paraat hebben (vedānta). Zo kan ik het leven met de juiste non-duale visie tegemoet treden en continu weten wat ik werkelijk ben (bewustzijn bestaan gelukzaligheid). Na een tijd bewuste alertheid hierop (contemplatie, nididhyāsana) vallen de laatste restjes persoonlijk doenerschap weg, en zie ik dat het alles īśvara is.
Naast citta is het zaak de andere capaciteiten van het innerlijke instrument manas, buddhi en ahaṅkāra te trainen tot capaciteiten die pure helderheid faciliteren. Dan ben ik vrij, en glimlach om de kracht van māyā-īśvara, die met een merkwaardig en wonderbaarlijk vernuft proberen mij, oneindige puurheid, te ridiculiseren tot een beperkt individu.
Als ik onwetend ben van hoe dit vernuft opereert, wordt het gaande gehouden door deze zelfde 'lokale' onwetendheid, omdat ik lijk te denken dat ik beperkt, onveilig en minderwaardig ben en dus allerlei strategieën leef om mij te vermeerderen, te vereeuwigen, te verrijken, mijn angst te bezweren, mijn verlangen bot te vieren. Dit houdt de karmische druk op het systeem en dus saṁsāra gaande.