Intellect. Het vermogen om te bepalen, redeneren, concluderen, herkennen, kiezen, onderscheidden, beslissen. De buddhi is als meest subtiele instrument de sleutel tot zelfkennis en dus vrijheid.
- buddhi
Naast manas (mind), ahaṅkāra (ego of ik-gevoel), en citta (geheugen) één van de vier functies van antaḥ karaṇa, het gehele innerlijke instrument. Van alles wat een mens ter beschikking staat is het intellect de meest bepalende functie van het subtiele lichaam, sūkṣma śarīra. Dit komt omdat het intellect ‘het dichtst’ bij de intelligentie van īśvara staat.
Een gezond, kalm, helder, scherp intellect is de ‘cognitieve poort’ naar verlichting. Vandaar dat vedānta de kennis is die een einde aan de kennis maakt. Alles, de innerlijke en de uiterlijke wereld, vertegenwoordigt zichzelf in kennis in de buddhi.
De buddhi is de functie, de enige functie, waar herkenning van het zelf, de ātmā, plaatsvindt. Het is ook de functie waar de niet-herkenning ervan plaatsvindt: individuele onwetendheid. Verlichting is alleen voor de buddhi. Wanneer het zelf begrepen is in de buddhi, ziet men de buddhi ook als een object van kennis, en weet men dat het licht van bewustzijn ook het intellect doet schijnen, zij het als het een reflectie van het originele licht natuurlijk.
Wat gebeurt er als ik reageer op het leven in de wereld? De twijfelende geest (manas) presenteert de nog onduidelijke input aan het intellect, buddhi. Het intellect beoordeelt het op basis van wat het weet en neemt een beslissing (saṅkalpa) wat te doen. Deze output wordt bepaald door je conditionering (saṁskāra), de reeks complexen gedurende vele levens. Het intellect is het centrum van de interpretatie van wat binnenkomt en van de beslissing over wat eruit gaat. Als twijfel (vikalpa) van de geest (manas) dominant is, gebaseerd op verwarring over wat het is om te leven in een veranderende wereld, zal men een onzeker leven leiden.
Als het onderscheidingsvermogen van vedānta en kennis van īśvara's stabiele wetten en waarden en kennis van de non-duale aard van de werkelijkheid dominant en helder aanwezig zijn in het intellect, is het duidelijk hoe we gezond op de wereld moeten reageren. De mate van verfijning van de buddhi en de intensiteit van de ik-beleving onderscheidt de mens van een dier en geeft een gevoel van vrije wil. Een verfijnd intellect zal meer keuzevrijheid hebben om te handelen volgens de dharma, de blauwdruk van God. Een verfijnd intellect zal meer keuze en inzicht hebben om te leren van het leven.
Omdat buddhi de plaats is van oordeel en beslissing, is het 'de zetel' van dhṛti, de wil. Vastberadenheid of besluitvaardigheid, saṅkalpa is een oordeel over de waarde of geschiktheid - 'dit is de moeite waard om te hebben of te doen', dit moet worden gedaan (of niet gedaan)', dat door elk verlangen loopt en de vervulling ervan aanmoedigt. De beslissing is in verschillende mate beïnvloed door rāga dveṣa's, onder invloed van vāsanā's, indrukken uit het verleden. Al dan niet treden daarbij herinneringen op uit het geheugen (citta).
Identificatie met een gedachte dat een verlangen of oordeel uitdrukt, over de gang van het lichaam door de wereld, betekent dat ahaṅkāra (het ik-gevoel, ego) is verrezen, waardoor het 'mijn wil', 'mijn beslissing', enz. wordt. Op deze manier bepalen buddhi en ahaṅkāra de intensiteit van de wil, en hoe ver het verlangen in de wereld reikt, wat de karmische resultaten beïnvloedt. Manas (e-motie centrum) zet deze wil vervolgens in beweging.
Nuance: “Ook de buddhi is tijdens cognitie gerelateerd aan objecten, maar kan zichzelf niet kennen, omdat het een capaciteit is, geen object. De buddhi is het kennende vermogen, waarin jñāna-śakti gemanifesteerd is. Omdat het echter onwetendheid ontkent, kan niet worden gezegd dat het niet wordt herkend. Daarom is het, anders dan een pot, noch een object van cognitie, noch een object van niet-cognitie.” Pañcadaśī 8:23. Het is de 'zetel' van de kenner.
Een andere manier om het bovenstaande uit te drukken: wanneer de inerte buddhi doordrenkt wordt of geassocieerd wordt met het licht van het bewustzijn, wordt hij bewust gemaakt en ontstaat het gevoel van 'ik'. En dit beperkte ik is dan een kenner. Maar het beperkte ik is een upādhi, waardoor het lijkt dat bewustzijn, mijn ware natuur, een beperkt ik is.
Deze beperkte 'ik'-gedachte (aham vṛtti) staat ook bekend als ahaṅkāra (het variabele valse 'ik'-concept) of jīva (de individuele ziel). Beperkte individualiteit, die (uiteraard) handelt vanuit een beperkt, onvolledig perspectief, levert beperkte resultaten op en wordt zo een saṁsārī, een levend wezen dat van geboorte tot geboorte reist.
Uiteindelijk verwijdert het dragen van akhaṇḍa ākāra vṛtti jñāna (kennis in de vorm van onverdeeldheid) in het intellect deze onwetendheid, zodat men de heelheid van brahman/bewustzijn is.
Een opmerking nog: In de spirituele wereld wordt vedānta wel gezien als intellectueel. En inderdaad herkent en bevestigt vedānta een hoofdrol voor het intellect, bij alles wat een mens denkt, doet en zegt. Zelfs een gevoel gaat bij een mens niet zonder subtiel oordeel. Het is niet anders. Onwetendheid is ook voor een groot deel intellect. Als we toch denkende wezens zijn, dan maar schitterend, verrijkend, verheffend denken. De grap is dat veel van de mensen in de spirituele wereld de Gāyatrī mantra zingen. Deze sluit af met de volgende regel: dhiyo yo naḥ pracodayāt, wat betekent: ‘Moge hij/het (īśvara) ons intellect verlichten en inspireren’.