Dit type levende wezens kunnen de mensheid verlichten met kennis van dharma of kennis van waarheid.
Een avatāra zal dus ook de balans van de dharma komen herstellen. Te veel slechtheid wordt gecompenseerd met goedheid. Kṛṣṇa is daar een mooi voorbeeld van. Op cruciale momenten speelt hij een rol bij de overwinning van de dharmische Pāṇḍava’s op de adharmische Kaurava’s.
Dat Kṛṣṇa geen gewoon mens is, maar een avatāra van Viṣṇu/īśvara blijkt uit het 11de hoofdstuk van de Bhagavad Gītā, waar hij zich aan Arjuna laat zien als viśvarūpa, alle vormen van het universum. Hier toont zich het verschil tussen de jīva als kleine kennis, kleine kracht en īśvara als alle kennis/ alle kracht. In de purāṇa literatuur zijn avatāra’s nogal eens iets daartussen in, omdat ze dan een specifiek aspect van īśvara aanwenden.
Kṛṣṇa is ook de brenger van zelfkennis, door de leraar van Arjuna te zijn: dharma- en jñāna avatāra inéén.
In principe heeft een avatāra geen karma, of beter gezegd is er schijnbaar alleen maar prārabdha-karma (karma dat begonnen is zich uit te werken, en minimaal uitgewerkt moet worden in het lopende leven). Een avatāra zal geen nieuw karma (āgāmi-karma) genereren, omdat hij of zij een ethische verschijning is. Voorts omdat de avatāra meestal weet dat hij of zij het zelf is, weet hij of zij dat er geen karma is, dus heeft hij of zij helemaal geen karma. De avatāra is zo vrij van karma, doet zijn prārabdha taakje en sterft.
Letterlijk betekent ava dus ‘neder’. Tāra komt van de Sanskriet wortel tṛ, dat oversteken betekent, aan gene zijde. Het is het oversteken van het ware naar het onware domein, om de onwetenden te helpen. In de diepste zin betekent het: Het oversteken van verschillende orden van werkelijkheid, wat geen oversteken is maar een cognitieve verschuivingen door de moerassen van mentale onwetendheid door middel van kennis.
De avatāra weet dat zij of hij als bewustzijn, nooit werkelijk gemanifesteerd is. De manifestatie is een uitdrukking of verschijning van en in bewustzijn, brahman, dat ik ben. Viṣṇu kunnen we dus zien als brahman/īśvara. Tien belangrijkste avatāra’s van Viṣṇu (Daśāvatāra):
1. Matsya – De vis (redding bij de zondvloed), ontwaken uit chaos.
2. Kūrma – De schildpad (steun voor de berg bij het karnen van de oceaan), stabiliteit van kennis.
3. Varāha – Het everzwijn (redt de aarde uit de kosmische oceaan), verrijzen van zelfkennis.
4. Nṛsiṁha – Half mens, half leeuw (beschermt devotee Prahlāda), overwinning op ego.
5. Vāmana – De dwerg (herstelt kosmische orde via bescheidenheid), nederigheid als sleutel tot vrijheid.
6. Paraśurāma – De strijdende brahmaan (bestraft arrogante kṣatriya’s).
7. Rāma – De ideale koning.
8. Kṛṣṇa – De goddelijke herder en leermeester (Bhagavad Gītā), liefdem rechtvaardigheid en overgave.
9. Buddha – Als compassievolle gids.
10. Kalki – De toekomstige ruiter die adharma vernietigt.
- avatara
Neer (ava) gedaald (tāra, overgestoken) wezen. Het goddelijke (īśvara) daalt neer op aarde in een belichaming (vaak van Viṣṇu) van een speciale jīva, vaak om dharma te herstellen en om te verlichten.