De bedekkende, versluierende kracht van māyā, met de eigenschap tamas. Het veroorzaakt onwetendheid van mijn volheid en bakent de totale projectie (vikṣepa) van de manifestatie karmisch af.
- avarana shakti
Voor de verstrooiing van deze versluierende kracht, zorgt de projecterende kracht (vikṣepa-śakti), met zijn kwaliteit (guṇa) rajas van māyā. Dit gaat allemaal tegelijkertijd. De materiele kwaliteit tamas van āvaraṇa śakti wordt door vikṣepa in beweging gebracht, tot leven geblazen. Dit uit zich in een materiële wereld die ik voor me zie, die de waarheid van mijzelf lijkt te bedekken. Zo ben ik op individueel niveau onwetend van mijzelf als brahman, de oneindige oceaan van bewustzijn.
Maar wordt mijn ware natuur wel echt bedekt? Zoals een dikke wolk de zon verduistert, bedekt āvaraṇa śakti het zelf zo goed, dat ātmā niet wordt gezien voor wat het is. Maar dit is maar vanuit een klein, particulier bundeltje zintuigen op een plekje op aarde. De zon zelf is natuurlijk helemaal niet bedekt, en schijnt altijd volop. In werkelijkheid, ben ik, bewustzijn, ook helemaal niet bedekt. Ik, ātman, verlicht continu alle objecten, die in mij verschijnen. Ik kan niet uitgezet worden, of ik nou bedekt lijk of niet. Ik ben er vrij van. Maar de verhullende kracht āvaraṇa śakti verduistert het onderscheid, zodat ik wat op mij wordt geprojecteerd voor echt aanzie. Dat is wat āvaraṇa doet, het verwart een helder onderscheid tussen de getuige en het geziene.
Een derde kracht van māyā, laat mij dit zien. Dit is jñāna śakti. Het is de reflectie van sat in māyā, en heeft daarom sattva als eigenschap. Het uit zich in de onthullende kennis (jñāna) die in een individu kan plaatshebben om de verhulling teniet te doen.
Āvaraṇa śakti veroorzaakt dus op individueel niveau de onjuiste opvatting (adhyāsa) bedekt te zijn. Dit leidt tot āropa (toekennen van attributen aan mijzelf, het attribuut-loze). Dan is er een schijnbare connectie gemaakt tussen mijzelf het bewustzijn, en de objecten die in bewustzijn verschijnen of er lijken ‘op geplaatst’, adhyāropa (superpositie). Let wel: deze connectie is vals (mithyā), en het levert een foutieve cognitieve beleving op (adhyāsa)! Maar het wekt wel een gevoel op in lichaam en geest: ahaṅkāra (ego), de ik-beleving. Dit ego verlangt (kāma) naar objecten, omdat het denkt dat het ze nodig heeft. Dit levert actie op (karma) en saṁsāra (het transactionele spel, waaraan we denken deel te nemen).
De vijf elementen vormen hierbij het gereedschap dat wordt ingezet. Āvaraṇa en vikṣepa gaan dus hand in hand, net zoals tamas en rajas hand in hand gaan. Het paradoxale hierbij is dat dat wat lijkt te verhullen, eigenlijk een projectie of verschijning is van het licht aan het licht. Met de kennis van het zelf is dit een prachtige paradox.
Alle kennis (sattva), alle kracht (rajas-tamas), is altijd potentieel aanwezig. Ongemanifesteerd als māyā, gemanifesteerd als īśvara. Het is essentieel te beseffen dat het vivarta is, een verschijning, die komt en gaat. Het is niet echt. Om dit te beseffen heb ik genoeg sattva nodig, de guṇa die onthult.
Dus waarom leef ik in een privé koker, schijnbaar gedissocieerd van anderen? Wel, één specifieke karmastroom van een jīva betekent dat voor een specifieke individu, alle kennis, alle kracht is bedekt met āvaraṇa śakti afgestemd met het prārabdha karma dat door vikṣepa-śakti geprojecteerd dat ene individu oplevert, een levende bundel van kleine kennis, kleine kracht. Zo kan ik de koker begrijpen waar ik als mens in leef, of beter de beklemmende film die mij wordt voorgespiegeld. Immers, ik ben gewoon het lege scherm, vol van zichzelf.
Zoals een individu op zoek gaat naar kennis over de wereld, die niets anders is dan de openbaring van wat er al was, maar bedekt was, zo verwerft het individu kennis over de onwetendheid van zijn ware aard als grenzeloze, eindeloze ātman/brahman.
Ik hoef alleen maar de zelf-lichtendheid (svaprakāśa) te begrijpen dat alles laat zijn, dus ook de zintuigen, die op hun beurt via het subtiele lichaam een wereld waarnemen. Dit is niet meer dan een spel voor het 'derde oog' van pure kennis-bewustzijn. Wanneer het ongemanifesteerd is, zoals bijvoorbeeld in diepe slaap, is kennis niet evident. In de waaktoestand wordt mijn stralendheid zichtbaar, omdat er objecten zijn, precies afgestemd met karma, wat allemaal beheerd wordt door īśvara.
Omdat er ook objecten zijn als mind en intellect, is er in de waaktoestand de mogelijkheid tot zelfkennis. Mijn intellect weet (iets) of weet niet (iets). Onwetendheid op zich heeft geen reëel of onafhankelijk bestaan. Het is slechts een bepaald perspectief op of van kennis. Het is de tegenkant van kennis (jñāna virodhi, anti-kennis). Er bestaat niet werkelijk een onafhankelijke entiteit die onwetendheid kan worden genoemd.
Daarmee heeft de gedachtenwereld van een mens maar twee betekenis mogelijkheden, kennis of onwetendheid. Dit is als dag en nacht.
Onwetendheid op het niveau van mūla avidyā (individuele onwetendheid aan de wortel oftewel potentieel), is dus nog vrij van enige vorm van verdeeldheid, zoals in diepe slaap. Er bestaat geen ervaring van dualiteit totdat deze wordt veroorzaakt door de opkomst van vikṣepa śakti. Wat niet versluierd is, is dat ik besta (asti), straal (bhāti) en oneindig aangenaam (priya) ben.
Āvaraṇa śakti is een potentie, een mogelijkheid in deze grenzeloosheid en non-dualiteit van īśvara als pure kennis. Wanneer deze naam en vorm (nāma-rūpa) aannemen (door vikṣepa śakti), 'manifesteert' īśvara zich als de wereld in al zijn verscheidenheid, net zoals de droom zich manifesteert vanuit de sluimerende waker.
Steeds weer belangrijk te beseffen dat bewustzijn niet echt bedekt wordt, maar puur blijft. Het is slechts schijnbare superpositie. Wanneer ik een rode berg zie, dan word ik zelf toch niet rood? Net zoals als ik mijn geest en lichaam waarneem, word ik zelf toch niet mijn geest en lichaam?
In kennis kan ik dus zeggen: 'Alles is mij, ook al lijkt alles (zijn alle mogelijkheden) bedekt'. Waarom bedekt? Dit komt doordat de beperkingen van de individuele zintuigen, precies zijn afgestemd met de āvaraṇa śakti van mijn specifieke karma. Īśvara ‘ziet’ natuurlijk wel alles. Alles is īśvara.
Maar het is allemaal maar schijn. In werkelijkheid is alles maar een uitdrukking van mij, het volledig schijnende wezen. Dat wat verschijnt en dat wat niet verschijnt, ben ik, maar ik als het schijnen zelf, ben er vrij van.
Āvaraṇa śakti heet ook wel āvṛti śakti.
In īśa upaniṣad vers 15 & 16 wordt een esoterisch-poëtisch spel gespeeld met dit spanningsveld. Nota bene de zon die hierboven als metafoor voor de zelf-schijnendheid van bewustzijn werd gebruikt, wordt in īśa upaniṣad opgevoerd als het bedekkende object de zonneschijf, dat met zijn fysieke licht via mijn zintuigen, mijn intellect in het ootje neemt en me zo probeert te stimuleren echtheid aan de wereld toe te kennen.
De zonnegod Pūṣan, in dit geval een openbarend aspect (sattva, jñāna śakti) van niets anders dan īśvara, wordt dan gevraagd om zichzelf als mijzelf kenbaar te maken als de pure intelligentie van bewustzijn.
In de Bhagavad Gītā 15.2 wordt dat bevestigd en zegt Kṛṣṇa op zijn beurt:
yad ādityagataṃ tejo jagad bhāsayate'khilam |
yac candramasi yac cāgnau tat tejo viddhi māmakam ||Het licht dat in de zon is, dat de hele wereld verlicht, en het licht dat in de maan en in het vuur is, weet dat dat licht van mij is.
Hiermee wordt bedoeld: Weet dat ik het licht ben dat al het fysieke licht mogelijk maakt.