Ongewoon. Dat wat altijd anders is, en dus wonderlijk (māyā). Alle representaties van de wereld in de mind, inclusief new age-spiritualiteit zijn ongewoon. Het pure zelf is gewoon.
- asadharana
We zijn zo gewend om te leven in objecten in de wonderbaarlijke wereld, dat we dat malle samsāra gewoon vinden, ook al vinden veel mensen het een heksenketel. Maar de kunst is om het te ervaren als een magische show, die niet echt is. Zelfs het zogenaamde zijn van een persoon met al zijn fratsen noemen we gewoon. Maar dat is dus eigenlijk heel erg ongewoon.
We vinden die gekke wereld een gewone toestand en dan worden we spiritueel en dan is spiritualiteit ineens heel bijzonder of mystiek.
Het punt dat vedānta maakt is dat māyā in onze beleving dit abusievelijk heeft omgedraaid (viparīta). Onze ware natuur is heel en gewoon (sādhāraṇa) omdat het altijd geldt, en de basis van alles is. Je kan helemaal niet niet bewustzijn zijn, dus wat is gewoner dan dat?
Het doel is de omdraaiing terug te draaien. Wat is de foute dubbele omdraaiing (anyonya adhyāsa)? Dat ik, ātman, blijf functioneren als het geprojecteerde individu (onwetendheid), en dat ego (ahaṅkāra) denkt ātman te zijn. Het is geen echte omdraaiing (ik ben in alle schijnbare gevallen ātman), maar het lijkt wel zo; Het vermeende individu leeft zo in onwetendheid of loopt de valkuil in te denken dat zij of hij verlicht is.
De uitnodiging hier is je totaal vrije natuur als bewustzijn normaal te (sādhāraṇa) vinden, en de superpositie van een mind met een ik-beleving en de wereld nogal ongewoon (asādhāraṇa). Dan is het idee: 'geniet van de magische show!', maar bezie jezelf als oneindig gewoon.Objecten, gedachten, gevoelens zijn er opgelegd (superpositie, adhyāropa), als beelden op het lege scherm van bewustzijn dat je bent. Bewustzijn lijkt zich er evenwel wel mee te identificeren.
Laten we eens goed kijken. Waarom heeft een persoon compassie voor een ander? Waarom kunnen we empathie hebben met de ander of sympathie voor de ander voelen? Twee redenen hiervoor.
Ten eerste heeft elke jīva hetzelfde basisontwerp, de printkaart van de geest is uitgerust met dezelfde functies twijfel, verdriet etc. Dus we kunnen de ander goed begrijpen.
Ten tweede: er geen ander. Mijn geest is een tijdelijke manifestatie van bewustzijn. De geest van 'andere mensen' is een manifestatie van hetzelfde bewustzijn. Daarom is het volkomen logisch dat ik compassie heb voor de ander of empathisch ben omdat de ander dezelfde is als ik. Liefde is dus ook heel gewoon. Dit is een prachtig gegeven. Steeds weer als er lijden is of boosheid wordt ervaren als een ongewone situatie, omdat er de neiging is er uit te komen. Liefde is het zelf zijn. En dus het zogenaamde andere liefhebben als jezelf. Dat is normaliteit, en daarom ervaren we conflicten in de wereld als tegenstrijdig aan onze natuur. Niet als dualiteit, maar als de non-duale ondergrond. Liefde is vanzelfsprekend. En daarom kunnen tirannen ook gewoon liefhebben als ze ontspannen.
Er wordt wel eens gesproken over zelfcompassie. Ook dat is een vreemd concept. Je hebt dan toch het verkeerde, ongewone zelf te pakken. Ik hoef geen compassie te hebben voor het zelf, dat kan namelijk niet zielig zijn. Zelfcompassie betekent een split in de mind, of preciezer: een ego dat heel snel van rol wisselt. Ben je zielig, vraag ik aan 'mezelf'? 'Ja, hou alsjeblieft rekening met me'. Dan heb je al twee ego's. Een ego die rekening houdt met..., en een ander ego dat om respect of compassie vraagt. Op zich is hier niks mis mee, maar op een gegeven moment moet dit waanbeeld los worden gelaten voor correcte zelfkennis, en alle mentale bewegingen worden geobjectiveerd als inerte gedachten.
Als we het over objectivering hebben: Is er echt een verschil tussen hoe ik naar mijn geest kijk en hoe ik naar andermans geest kijk? Beide vormen zijn eigenlijk objectief. En dan kom ik terug op het onderwerp:
Zo bezien is het abnormaal (asādhāraṇa) om mezelf te beschouwen als één afzonderlijk zelf tussen velen. Als ik eenmaal zo kijk, is het heel onnatuurlijk en tegen mijn ware aard. Wat ik zie zijn allemaal kletsende denkmachines die verschijnen, inclusief de mind die van binnen aan mij verschijnt.
Maar wat zou dan de juiste definitie zijn van wat werkelijk gewoon (sādhāraṇa) is? Het moet dat zijn wat altijd is, dat wat alle waarneembare dingen mogelijk maakt. Dat wat altijd de stille grond, getuige en onthuller van alle objecten is. Hoe gewoner kun je worden? Dat gewone zijn we allemaal: Tat tvam asi, bewustzijn. Eén gewoon zelf. De verschijning van het gedoetje van het leven is buitengewoon (asādhāraṇa).
Zelfrealisatie is de volledige, verschilloze aanwezigheid van de waarheid van het zelf. Zelfrealisatie is dus eenheid normaal vinden, en weten waarom. James Swartz neemt ook het woord 'gewoon' op in zijn definitie van wat echt is. Dit voorkomt arrogantie en het gevoel bijzonder te zijn als ik 'het' eenmaal heb begrepen. Bij zelfrealisatie zou:
'Ik met mijn staart tussen mijn benen af moeten druipen in de gewone grenzeloosheid die oneindig normaal is, in plaats van op de trompet te blazen in de schijnbare wereld die abnormaal wonderbaarlijk is.'