Kennis/ betekenis (artha) verkregen door logische aanname (āpatti) of hypothese. Een van de zes legitieme middelen van kennis (pramāṇa’s) waar vedānta mee werkt op verschillende niveau’s van de teaching. Als we zeggen: ‘Ik zie objecten, dan moet ik wel de bewuste instantie zijn die de getuige is van deze objecten’, is dat een logische, geldige aanname. Arthāpatti werkt met name goed om iets aan te nemen (vast te stellen) dat niet ervaarbaar is, dat geen object is. Zoals de gevolgtrekking ‘ik moet wel het getuige-bewustzijn zijn’.
- arthapatti
In het dagelijkse leven kunnen we arthāpatti als volgt definiëren: Een vermoeden over wat niet wordt waargenomen, afgeleid van wat wel wordt waargenomen. Klassiek voorbeeld: We zien Devadatta de hele dag niet eten. Hij beweert te vasten. Toch wordt Devadatta dikker en dikker. Hij zal wel 's nachts eten. Het is een veronderstelling op basis van redelijk bewijs.
Omdat de waarheid recht-tegengesteld is aan de onwetende ervaring, gericht op objecten, moeten we soms tegen logica ingaan die gericht is op objecten. Wetenschap is een kennismiddel dat gericht is op de objecten van zintuigelijke waarneming (pratyakṣa) en afgeleiden daar van (anumāna). Dit zijn twee van de overige zes legitieme kennismiddelen in vedānta.
Maar met onderscheidingsvermogen (viveka) kunnen we de stille getuige en het geziene onderscheiden in onszelf. Dit doen we niet door de ziener waar te nemen, maar door de ziener aan te nemen. Ook al ervaar ik het niet concreet, er moet een ziener zijn die al het geziene onderscheidt. Net zo moet er een substantie zijn die de werkelijkheid draagt. Net zo moet er iets zijn geweest waar het universum uit is geknald. Dit zijn allemaal redelijke aannames, arthāpatti's.
Omdat het geziene echter niets anders is dan de ene ziener, en ik dat in zijn geheel ben, hebben we meer nodig dan arthāpatti. We hebben de autoriteit van īśvara nodig, nadat deze in de geesten van zieners is geopenbaard en later in de Veda's is opgeschreven. Zo doen we een beroep op de kennismiddelen, het schrift (śāstra pramāṇam), of de kennismiddelen, het woord (śabda pramāṇam), of de kennismiddelen, het horen (śruti pramāṇam) of betrouwbare woorden (āpta vacana). Dit zijn vier synoniemen voor hét centrale kennismiddel van vedānta. Waarom centraal? Omdat we open moeten staan voor kennis die van buiten onze onwetendheid komt. Dan horen we de feiten: Brahman is het zelf. Het zelf is alles wat bestaat. Brahman is één zonder tweede. Vervolgens komen we door middel van logica tot de volgende arthāpatti: Brahman is bestaan. Ik besta. Ik moet brahman zijn. En zo evolueert de beoefening van kennis geleidelijk van aanname naar feit voor de beoefenaar.
Arthāpatti is geen gissen, geen geloven, geen verbeelding; we zouden kunnen zeggen dat het gedwongen wordt tot een conclusie te komen. Het is geleid worden door je eigen existentiële ervaring. Het is progressief redeneren. Het is aan de beoefenaar om, door middel van kennis en redenering, de herkenning (pratyabhijñā) van deze feiten in zijn eigen ervaring te vragen.
Dit zien we veel in vedānta. Bijvoorbeeld om te verklaren dat we verschillen ervaren in de wereld. Het basis-kennismiddel van vedānta, de geschriften (śabda pramāṇa) stellen: 'Brahman is al dat bestaat. Brahman is één zonder tweede.' Vervolgens zegt vedānta niet: 'de wereld bestaat niet'. We ervaren nou eenmaal de veelvoudigheid de wereld. Hoe wordt dit opgelost? Er wordt gezegd: De veelvoudigheid is niet het bestaan (sat) zelf, het is ook niet het niet-bestaan (asat). We ervaren wel veelvoudigheid. Dus moet het mithyā zijn: vals of schijnbaar waar. Het bewustzijn/ het bestaan is er vrij van, maar de veelvoudigheid is wel volledig afhankelijk van het bewustzijn-bestaan. Ook dit is typische arthāpatti.
Het zijn grote leraren als Gaudapada, Śaṅkara en Vidyaranya Svāmī (en vele anderen in de geschiedenis na de prasthāna traya) die dit soort arthāpatti-rederingen hebben uitgewerkt, zodat wij ons voordeel (prayojana) ermee kunnen doen. Met dank!