Kennis van de niet-aanwezigheid van een object is bekend uit de afwezigheid ervan (niet, an- beschikbaarheid, upa-labdhi). Bijvoorbeeld als je geen pot op tafel ziet staan weet je dat het afwezig is. Dit is één van de zes pramāṇa’s, legitieme middelen van kennis van vedānta. De anderen zijn: anumāna, arthāpatti, pratyakṣa, śabda pramāṇa, upamāna. Anupalabdhi drukt uit dat een object in potentie wel kan verschijnen, maar nu niet verschijnt. Het zegt niets over de permanente (nitya) aanwezigheid van de zelf, die zowel de basis is van de potentie van objecten van het causale lichaam als de verschijning van objecten van subtiel en grof lichaam. Anupalabdhi heeft zo geen enkele zeggingskracht over pāramārthika satya, de enige, absolute werkelijkheid.
- anupalabdhi
Ten eerste kunnen we anupalabdhi gebruiken om de echtheid van ervaringen en objecten vast te stellen. Het ene moment is de ervaring er wel, het volgende moment is de ervaring er niet. Omdat een specifieke ervaring er meestal niet is, kan ik stellen, specifieke ervaringen zijn niet echt (asat). Echtheid in vedānta wordt vastgesteld door: Het is permanent aanwezig. Wat is permanent aanwezig? Ik, bewustzijn, de zelf. Alle objecten die er dus ook wel eens niet zijn, zijn asat, niet werkelijk.
Dan komen we meteen bij een tweede gebruik van anupalabdhi. Het kennismiddel śabda pramāṇa (de autoriteit van īśvara, in de klanken, śabda, van woorden gevat) stelt met zekerheid: Ik, brahman ben er altijd (nitya) als het bestaan zelve, schijnend als bewustzijn. De māṇḍūkya upaniṣad legt ons uit dat er aan het zelf drie toestanden verschijnen. Waken, dromen en diep slapen. Laten we ons richten op de staat van diepe slaap (suṣupti avasthā). Dit is anupalabdhi in zijn meest radicale, totale zin. Een deken van tamas hult ons in totale onwetendheid, in afwezigheid van objecten. Als we wakker worden kunnen we stellen: 'Ik sliep, maar objecten waren afwezig, er was geen manifestatie'. Met de kennis van het kennismiddel śabda pramāṇa in combinatie met anupalabdhi, kunnen we nu afleiden: Er verschenen geen objecten aan mij, ze moeten niet manifest zijn geweest, in potentie gedragen in het causale lichaam, klaar om weer vrucht te dragen in de droom-staat of in de waak-staat. Ik genoot deze afwezigheid van objecten. Het was de tijdelijke ervaring van afwezigheid van objecten, de ervaring van gelukzaligheid, oftewel een verkwikkend slaapje. Voorts: De afwezigheid van objecten was tijdelijk: Ook diepe slaap is niet echt.
Conclusie: Ook diepe slaap is onderdeel van de relatieve-transactionele wereld van zaken die komen en gaan. Anupalabdhi (de afwezigheid van een object) zegt ons niets over de waarheid van onszelf. Het zijn of bewustzijn is nooit en te nimmer anupalabdhi, niet aanwezig.
Hiermee kunnen we stellen: Een object kan gerust afwezig, of er kan een toestand zijn waarin alle objecten afwezig zijn (diepe slaap), maar niet-bestaan (abhāva) bestaat niet. Er is alleen maar bestaan (hier bhāva in de betekenis van sat).