Keer op keer, heel duidelijk en zorgvuldig, intiem (anu-) en precies, de beperkingen (doṣa) van de menselijke conditie zien (darśanam), en daarom geen tijd verspillen aan trivia, maar energiek nastreven wat er toe doet, mokṣa.
- anudarshana
Welke beperkingen horen bij het relatieve bestaan van het individu? Dit zijn janma (geboorte) en mṛtyu (dood). Wat zich manifesteert, zal per definitie ook weer vergaan. Dit mag onder ogen gekomen worden. Mensen zijn hun hele leven bezig om tegen de weersomstuit in, te behouden wat verworven is. Het geeft een enorme rust, trots, ja lol zelfs, om te erkennen, dat we ten dode zijn opgeschreven. Hoe is dom om feiten te betreuren? Feiten zijn nou eenmaal goddelijk, omdat alles goddelijk is, behalve onwetendheid.
Dan hebben we nog de veroudering (jarā). Al vanaf de vruchtbare leeftijd zet de aftakeling van het lichaam in. Dit kan maar beter onderkent worden. Dan kunnen we het ontspannen op zijn beloop laten. De bedoeling van ouder worden is rijpen, wijs worden. Maar wat zie je veel moderne ouderen doen? Klagen (vroeger was het beter etc.). Leven is toewerken naar een vrije dood. Veel moderne ouderen leven nog in overmatig, bindend verlangen, en hebben als pensionado's flinke bucket-lists en moeten bijv. de wereld nog een paar keer rondvliegen. Denken we nou echt dat de werkelijkheid miljoenen oudere jīva's nodig heeft om de wereld kapot te vliegen? Dit is overtreding van persoonlijk svabhava, dat bedoelt is om tot vrijheid te leiden.
Ziekte (vyādhi) is ook gewoon ingebouwd, en niet iets om ons druk over te maken. Wat gezond is, zal ook wel eens ziek zijn. Een wetmatigheid, maar over het algemeen zijn we veel vaker niet ziek dan wel ziek.
We intensiveren. Lijden (duḥkha) is wat anders dan pijn. Pijn (tapas) is onvermijdelijk, net als ziekte. Pijn is natuurlijk en leidt ons door het leven en behoedt ons voor voor zaken als infectie, dood-bloeden zonder dat je het doorhebt. Pijn is een sypmtoom die het lichaam de kans geeft zich energetisch te herstellen. Pijn is de uitnodiging tot genezing. Pijn is in principe grof lichamelijk. Lijden is subtiel lichamelijk. Een mens lijdt pas als er een innerlijk oordeel wordt uitgesproken over fysieke pijn of over een gebeurtenis. Lijden is maar een gedachte. Dit zou niet zo moeten zijn. Na de gedachte kan het lichaam weer extra pijn aanmaken in de vorm van stress etc. Vaak zit er angst achter lijden. Angst om nog minder te zijn dan ik al was. Dit leidt tot angst voor de dood zijn (lijden onder het idee nietig te worden), angst dat ik tekort kom als ik in pijn ben, het idee zeg maar dat pijn 'mijn geluk verstoort'. Ook is er vaak angst voor het verlies van iets dierbaars, terwijl hechting aan dierbare zaken ons alleen maar beperken, in plaats van onze oneindigheid in te zien.
Dit geeft bij elkaar de gevleugelde uitnodiging om eens goed naar een aantal dynamieken van het leven te kijken, die we over het algemeen als negatief ervaren, maar gewoon neutrale fenomenen zijn: jarā vyādhi duḥkha doṣānudarśanam (Bhagavad Gītā 13.8).
Het secuur reflecteren (op de vergankelijkheid) van onvermijdelijke zaken als geboorte, dood, ouderdom, ziekte en lijden is van grote waarde om een emotioneel volwassen, helder, relativerend mens te worden, geschikt voor kennis.