Er zijn vier vereisten waaraan een leraar-discipel vedānta-instelling (tekst, lezing of cursus) moet voldoen: adhikārī – gekwalificeerde lezer, prayojana – voordeel van de leer, viṣaya – de geschiktheid van het onderwerp om de prayojanam te presenteren – het voordeel, sambandha – de verbinding van de leer met het voordeel.
- anubandha catustaya
Dit steekt vernuftig in elkaar, het is een uitdagende uitéénzetting, maar we zien de hele vedānta erin terug. Daarom heet het ook de vier anubhandha's (verbanden).
1. adhikārī - de aspirant van complete zelfkennis, maar dan wel tevens een persoon, gekwalificeerd genoeg om de tekst te kunnen volgen. Het is aan de leraar om de adhikārī te accomoderen op het niveau dat zij of hij aankan (zie viṣaya).
2. prayojana – het specifieke voordeel dat de adhikārī kan behalen door het bestuderen van de tekst. Het grote voordeel is natuurlijk het laten verwijderen van onwetendheid. Vrijheid is de grote vrucht. Maar ook een les over waarden of een uitleg van karma yoga kan iemand rap laten groeien tot emotionele volwassenheid.
3. viṣaya - de geschiktheid van het onderwerp en de afgestemde stijl, toon en verfijning voor het aandragen van de prayojanam, het voordeel.
4. sambandha - de verbinding van de gesproken lezing of geschreven tekst met de viṣaya, het onderwerp en zijn geschiktheid, zijn toegespitstheid. Er worden twee van deze verbindingen onderscheidden:
4A. Ten eerste de pratipādaka pratipādya (openbaring - geopenbaarde) sambandha, het verband (sambhanda) van de openbaring en de openbaarder, de uitleg, de woorden van de leraar of de geschriften (pratipādaka) én het geopenbaarde (de essentie, de zelfkennis die uitgelegd moet worden, pratipādya). Anders gesteld: De visioenen van de zieners en de op schriftstelling daarvan in de basisteksten (met name upaniṣads) is de openbaring. Het geopenbaarde is de zelfkennis van brahman. Het is de kennis gewoon en geheel het oneindige, volle bestaan zelf te zijn, dat alles schijnbaar oplicht als absoluut, kenmerkloos bewustzijn. Dit verband valt samen met de eerste fase van vedānta, śravaṇa.
4B. Ten tweede de sādhana sādhya sambandha. Dit is het verband tussen het beoefenenen (sādhana) van wat verteld of geschreven is door de guru (īśvara op een dieper, subtieler niveau) oftewel het beoefenen van het onderwerp dat de tekst of teaching je voorhoudt én indien je hier consciëntieus, en in vertrouwen voor open staat de prayojana, het effect (sādhya), de vruchten, de grote voordelen van het horen of lezen van woorden die naar kennis verwijzen, en met name de oprechte verinnerlijking hiervan. Het beoefenen van kennis heeft natuurlijk alles te maken met reflectie (manana) en contemplatie (nididhyāsana), de tweede en derde noodzakelijke fasen van vedānta.
Mochten deze voordelen niet komen, dan is het raadzaam dit met je leraar te bespreken (ook een stukje manana, reflectie), omdat ergens een stukje begrip niet is ingedaald, of een fase is overgeslagen. In vedānta geldt: De hoofdprijs (vrijheid) is het bewijs. Vedānta heeft claimt alleen maar volledig bestaansrecht omdat het werkt. Mits signalen, zoals irritatie, onbehagen, angst, twijfel serieus genomen worden als tekenen van onwetendheid en als uitnodiging tot nader onderzoek.
Het mooie is dat dit rijtje laat zien, dat niets op zich staat. De eerste twee van de vier voorwaarden (vandaar anubhanda, gebondenheid aan een conditie) gaan namelijk niet over de schrijver of spreker van śravaṇa (spreken-horen als belangrijkste eerste fase van vedānta) of śāstra (geschrift), maar over de luisteraar of lezer, oftewel de aspirant (adhikārī) van voor eeuwig vrijmakende zelfkennis. Dit is de genade van vedānta.