Onwetend, inert en ongelukkig (duhka). Gezegd van de mind. Vanwege onwetendheid (anṛta) van de totale, absolute, vrije natuur komt er onrust en verlangen op in het individu (lijden) ter vervolmaking.
- anrta jada duhkha
Over het algemeen heeft een mens niet door dat het streven om allerlei zaken en doelen te bereiken, een vorm van ongeluk (duhkha) is, een notie dat het niet goed is, zoals het is.
Dit begint al vroeg, als een kind geïndoctrineerd wordt met de gedachte 'dat zij of hij iets moet worden, 'wat wil je later worden?'.
Deze druk op een mens om iets neer t moeten zetten komt dus voort uit een zekere ontevredenheid, vanwege de overtuiging dat er iets mist, dat je tekort komt. Dit is begrijpelijk aangezien we ons beperkt en afgescheiden voelen, terwijl we heel en compleet zijn.
Deze gedachten zetten via ego, geest en lichaam aan tot acties in de wereld om het gevoel van ontoereikendheid en beperktheid te compenseren.
Inertie (jaḍa) is in dit rijtje genoemd, omdat kennis ons verteld dat alle gevoelens en gedachten, verschijnselen van māyā zijn, en inherent inert. Wat betekent inert? Ze zijn in zichzelf onbezield en dus morsdood. Wil ik me hechten aan iets dat morsdood is?
Dit zou me toch iets moeten vertellen over onze stralende, volle aanwezigheid, want in feite zijn we datgene wat māyā doet verschijnen: Het volle, oneindig gelukzalige zelf.