Egoloosheid. Absoluut, in de wetenschap sat cit ānanda te zijn, de oneindige zaligheid van bestaan-gewaarzijn. Of relatief, in de wetenschap dat niets wat aan mijn geest of lichaam door mijzelf geproduceerd is, en dat ik de resultaten van mijn strevingen niet in de hand heb en daarom niet kan claimen, afhankelijk als ze zijn van oneindig veel factoren in het veld (īśvara).
- anahankara
Dit moet leiden tot afwezigheid van trots (māna), pretentie (dhamba) of zelfs hoogmoed (darpa). Iemand die leeft in anahaṅkāra verwacht en hoeft niets van de wereld, met name geen respect en bevestiging. Een hele opluchting. Het levert een vrije, zelfstandige, onafhankelijke positie op, omdat ik begrijp dat wat ik bereikt heb in het leven, gebakken lucht, en des īśvara's.
Een zeker gevoel van ahaṅkāra is natuurlijk, omdat het lichaam voedsel en onderdak nodig heeft, bij de gratie van het prarābdha karma. Om het lichaam te laten leven is er een soort biologische behoefte, niks mis mee. De kenner van het zelf ziet deze ik-beleving echter als een object, een beweging in de mind. Bij anahaṅkāra is er geen identificatie (abhimāna) met ego. Abhimāna is de waan (mada) om te denken dat ik het ik-gevoel dat bij het geest-lichaam hoort werkelijk ben: Identificatie (tādātmya) met de eigendunk (māna) van ego.
Dit komt natuurlijk doordat de onwetendheid in het individuele geval, dat ervoor zorgt dat bewustzijn schijnbaar een lichaam-geest 'aanneemt'.