Afwezigheid van verwaandheid, trots of arrogantie (mānitva). Bescheidenheid (ook wel vinaya geheten). Niet prat gaan op een talent of prestatie.
- amanitva
Alles behoort immers God (īśvara) toe. Geen respect eisen. Juist als respect terecht zou lijken, herkennen met heel mijn hart dat alle respect naar īśvara moet gaan, omdat het alle kennis, alle kracht is. Conclusie: Ik kan me beter vereerd en dankbaar voelen dan trots als ik een bepaalde aanleg heb.
De juiste leraar, de svāmī, de jñānī begrijpt dit gewoon en weet dat het accepteren van respect en dankbaarheid als zijn of haar eigen, zou betekenen dat hij of zij niet vrij is. Daarom betekent vrijheid oneindige bescheidenheid (ananta vinaya).
Ook pronken met prestaties wat betreft de overdracht van vedānta kennis of ook maar een sprankje behoefte aan achting, aandacht, eer, bewondering, eerbied waardering is de perfecte maatstaf om te weten of ik op mezelf sta als vrijheid, of dat ik mezelf diep beschouw als een inferieure, afzonderlijke entiteit. Dit is een gebied waar gemakkelijk blinde vlekken ontstaan. Voor mij geldt dit wanneer ik onderzoek waarom ik zoveel moeite doe om dit document mooi op te leveren. Het zou de viering van mijn aard als Brahman moeten zijn, net als alles in het leven. Daarbij zou ik blij moeten zijn, of liever gezegd, ik zou het vanzelfsprekend moeten vinden om dit aan jullie aan te leveren. Misschien ondersteunt het iemand, hier en daar iemand.
Er is een waarde die op amānitva lijkt, namelijk adhambhitva. Het verschil tussen amānitva en adhambhitva is, dat ik bij de eerste wel de capaciteiten en vaardigheden heb, zonder er trots op te zijn. Adhambhitva betekent afwezigheid van dhamba, pretentie. Bij pretentie ben ik trots, op een vaardigheid, die ik niet eens bezit. Ik ontleen identiteiten aan capaciteiten en talenten die ik geenszins heb. Dan ken ik mijn persoonlijkheid niet goed, of doe mij beter voor dan ik ben. Pretentie is meer onwetend en misplaatst dan trots. Ik denk dat ik iets goed kan, terwijl dat helemaal niet zo is.
In werkelijkheid is trots ook pretentie, omdat alle capaciteiten īśvara toehoren, en ik dus niks heb om trots op te zijn. Het karmische lesje dat hier te leren valt is dat ik, om ‘iemand’ te zijn, altijd maar trots en pretentie hoog moet houden, omdat ik anders mijn identiteit verlies. Dit is natuurlijk doodvermoeiend. Beide zijn waarden uit het dertiende hoofdstuk van de bhagavad gītā.