Geweldloosheid of vrede. Zich onthouden (a-) van het opzettelijk kwetsen (hiṃsā) van enig wezen door gedachte, woord of daad.
- ahimsa
Dit is de primaire waarde waaruit alle andere waarden volgen. Waarom? Omdat er alleen bewustzijn is. Ik besta, en ik ben bewust dus moet ik dat (tat) zijn. Er is dus niets anders dan ik, het geheel. Als ik iemand kwets, kwets ik mezelf.
Dus voor de jñānī (de kenner van zijn svarūpa, zijn of haar ware zelf) is geweldloosheid een vanzelfsprekende eigenschap. Waarom ergens mee in conflict zijn, als ik ook in pais en vree kan zijn. Voor deze jñānī is ahiṃsā vanzelfsprekend, omdat er voor hem of haar geen ander is, en het zelf zichzelf geen lijden bezorgt.
Voor een gewone sterveling is ahiṃsā moeilijk, omdat overleven voelt als een strijd, en het toe-eigenen van dingen die van iemand anders zijn, is daar onderdeel van (mā gṛdhaḥ kasya sviddhanam, īśopaniṣad 1, eigen je niets toe dat van iemand anders is; esoterische boodschap: Alles is van īśvara).
Ahiṃsā is een waarde uit het dertiende hoofdstuk van de Bhagavad Gītā, en wordt ook wel de waarde van waarden genoemd, omdat het gezegde luidt: doe anderen niet aan wat je niet wilt dat jou wordt aangedaan.
De logica hierachter is de non-duale waarheid, dat als iemand iemand anders pijn doet, hij zichzelf ook pijn doet. Een persoon voelt dit onbewust aan, of wordt op zijn minst geconfronteerd met de karmische gevolgen. Over het algemeen is dit een knagend schuldgevoel, dat we gewend zijn te ontkennen.