Meditatie (upāsana) waarbij de mediterende zijn identificatie verlegd van het individuele zelf met het universele zelf (ātmābrahman). Letterlijk “het grijpen (graha) van het (waarlijke) ik (aham).
- ahangraha upasana
Wat je praktisch doet is het benoemen van alle aspecten van de jīva als brahman. Mijn lichaam, mijn hand wordt gezien als brahman, mijn lichaam, mijn geest, alles wat ik voorheen 'ik' noemde, wordt door mij gezien als brahman. Mijn leven, mijn omgeving, de anderen om mij heen etc.
Zo verleg je je identiteit van kleine ik naar 'alleen maar ik'. Zo worden ahaṅkāra en brahman gelijkgesteld. Alleen zal dit niet zomaar gaan.
Omdat elke meditatie een activiteit is, ben je op dit niveau nog een doener, een ego, ahaṅkāra.
In deze sādhana (oefening) is ahaṅkāra, ego, waarschijnlijk nog niet goed genegeerd. Dus is het geen echte nididhyāsana (contemplatie).In nididhyāsana is de tegenstelling tussen mediterende (doener) en waarop gemediteerd wordt (het gedane) teniet gedaan. Dus weten dat ik brahman ben, het enige dat is, is iets anders dan de persoon zien als brahman.