Verschijnings-uitleg, als meest accurate beschrijving van de werkelijkheid, afgezet tegen de reflectie-uitleg (pratimbimba vāda) en beperkings/conditionering-uitleg (avachedda vāda).
- abhasa vada
Abhāsa vāda is nauw verwant aan pratibimba vāda (reflectie-theorie), maar legt extra nadruk op het 'schijn'karakter van wereld en individu.
De jīva (het individu) is een weerspiegeling (ābhāsa) van Brahman in het medium avidyā (onwetendheid). Individuele onwetendheid is een onmiddelijk gevolg van māyā, maar īśvara's māyā (de bron van manifestatie) zelf is geen onwetendheid.
Bewustzijn verschijnt (cidābhāsa) in het innerlijke instrument (antahkaraṇa) als een individueel zelf (jīva).
Het levende wezen (jīva) dat waargenomen wordt is slechts een verschijning zoals een mirage of fata morgana een verschijning is in de woestijn, die ons voor de gek houdt. Of zoals angst in de verbeelding een slang op een touw projecteert. Deze verschijning komt voort uit onwetendheid en is mithyā (afhankelijk, vergankelijk, relatief waar), en niets anders dan brahman zelf.
In dit model zijn er twee upādhi's (verschijningen die hun eigenschappen afstralen op hun drager, bewustzijn): māyā en avidyā. Deze zijn verbonden met elkaar. Māyā ligt ten grondslag aan de kosmische dynamiek van verschijning, avidyā veroorzaakt de individuele afspiegeling of beleving ervan. Zo noemen we māyā de upādhi van īśvara, het geheel. En zo noemen we onwetendheid de upādhi van jīva, het individu.
Dit model heft jīva (de individuele beleving) op (bādha), door het te verklaren als illusoire gebondenheid. Deze negatie levert mokṣa, vrijheid op. Dit model is radicaal en stelt dat er nooit echt lijden was. Wat een opluchting! Het is alsof ik erachter kom dat de slang (angst) nooit echt in het touw (angstloos bewustzijn, ik) heeft bestaan.
Pratibimba vāda daarentegen betekent reflectie. Hier wordt gezegd: De jīva is een weerspiegeling (pratibimba) van brahman in de kāraṇa śarīra (causaal lichaam). Bewustzijn is zo zichtbaar als de zon en haar weerspiegelingen in vele wateren. Of zoals één vals gezicht in een spiegel of vele valse gezichten in vele aangrenzende spiegels verschijnen.
Dit model gebruikt maar één upādhi: māyā/avidyā samen. In dit model is īśvara de bimba (het originele licht) en jīva de reflectie daarvan (pratibimba). Jīva is hier een reflectie van brahman, en lost op door via kennis weer in brahman op te gaan. Dit model is gradueler, omdat het wel het lijden erkent, zolang de spiegel van mind/māyā 'bestaat'.
Śaṅkara gebruikt beide modellen, afhankelijk van de context: Ābhāsa vāda voor het ontkennen van de wereld (bijv. "Brahma satyaṁ, jagan mithyā"). Pratibimba Vāda voor het uitleggen van de eenheid van jīva en Īśvara (bijv. "Tat Tvam Asi").
Swami Paramarthananda geeft de voorkeur aan ābhāsa vāda vanwege de sterke ontkenning van dualiteit, maar erkent de pedagogische waarde van pratibimba vāda. Afhankelijk van de toehoorder zal één van de modellen gebruikt worden.Avaccheda vada benadert het iets simpeler, en gebruikt de ruimte metafoor. Zoals een pot de ruimte lijkt af te bakenen, lijkt de individuele beleving bewustzijn af te bakenen.
Maar om bijvoorbeeld uit te leggen dat dode materiële objecten ook bewustzijn zijn, hebben we begrippen als 'verschijning' of 'reflectie' nodig. Elke object is namelijk puur bewustzijn, verschijnend of gereflecteerd als een object.
Ābhāsa vāda stelt dat alleen subtiele lichamen (sūkṣma śarīra) het bewustzijn kunnen 'weerspiegelen', en inerte objecten niet.
Pratibimba vāda stelt dat alleen een zuivere geest (als sattvisch medium) brahman helder kan weerspiegelen.En dan nog de drie visies op diepe slaap. Hoe verklaren ābhāsa vāda, pratibimba vāda en avaccheda vāda de diepe slaap (suṣupti)? Diepe slaap is een cruciale staat voor vedānta omdat het de aard van de jīva onthult voorbij de beperkingen van waken en dromen. Elke theorie verklaart het op een iets andere manier, maar verwante manier:
1. Ābhāsa vāda (Sureśvarācārya, vārttika prasthāna):
In diepe slaap stopt de geest met verschijnen en gaat onmanifest in zijn oorzaak (mūlāvidyā/kāraṇa śarīra), en daarmee verdwijnt de illusoire jīva (cidābhāsa).
Alleen Brahman blijft over, stralend als de getuige (sākṣī) van de afwezigheid van ervaringen. Het "nepgezicht" (cidābhāsa) verdwijnt omdat het weerschijnende medium (de geest) onmanifest is (gestopt met verschijnen). Maar het bewustzijn (Brahman) blijft – daarom herinner je je later: "Ik heb gelukkig geslapen." Na het ontwaken manifesteert de geest weer, komt tevoor'schijn' en de cidābhāsa (jīva) verschijnt opnieuw, samen met het bijbehorende gevoel van individualiteit. Vergelijk het met de luchtspiegeling die 's nachts verdwijnt, terwijl de woestijn (Brahman) blijft.2. Pratibimba vāda (Padmapādācārya, vivaraṇa prasthāna):
In diepe slaap versmelt de weerspiegeling (pratibimba) weer met het origineel (bimba/Brahman) omdat de "spiegel" (de geest) is ingevouwen. Tijdens de slaap lossen de vṛttis (modificaties van de geest) op, waardoor het gereflecteerde bewustzijn (jīva) tijdelijk opgaat in Brahman. Oftewel het gereflecteerde beeld of bewustzijn (pratibimba) lost op in het originele beeld of bewustzijn (bimba). Maar het potentieel voor reflectie blijft bestaan. Zoals een spiegel bedekt is met een doek, is brahman bedekt met een deken van tamas, de kwaliteit of het energie-type dat doet slapen. Na het ontwaken komt de geest weer tevoorschijn en de reflectie (jīva) verschijnt opnieuw. Een andere vergelijking wordt wel gemaakt met een spiegel met het gezicht naar beneden. De reflectie is "verdwenen", maar het oorspronkelijke gezicht (de bimba brahman) blijft onaangetast.3. Avaccheda vāda (Vācaspati Miśra, bhāmatī prasthāna). In diepe slaap lost de beperkende bijkomstigheid (geest) op, waardoor de "pot-ruimte" (jīva) tijdelijk uitdijt tot de universele ruimte (Brahman). Tijdens de slaap breekt de "pot" (de geest) waardoor het beperkte bewustzijn (jīva) niet langer beperkt is. Maar het potentieel voor beperking blijft bestaan (zoals een pot die weer in elkaar gezet kan worden). Na het ontwaken hervormt de geest zich en de jīva lijkt opnieuw beperkt. Analogie: Een aarden pot die oplost in water – de "pot-ruimte" versmelt met de totale ruimte, maar de klei (het potentieel voor beperking) blijft.
Alle drie zijn het erover eens dat diepe slaap bewijst dat je niet de geest bent (aangezien de geest oplost, besta je toch). Het geluk van de slaap is de ervaring van een glimp van Brahman voorbij beperkingen. Het verschil in nadruk:
Ābhāsa Vāda: "De jīva was altijd een illusie."
Pratibimba Vāda: "De jīva is een werkelijke maar afhankelijke reflectie."
Avaccheda Vāda: "De jīva is Brahman, tijdelijk beperkt."Diepe slaap is een aanwijzing voor je ware aard – of je het nu interpreteert als het verdwijnen van illusie (ābhāsa), het samensmelten van reflectie (pratibimba) of
het wegnemen van beperking (avaccheda).De beste manier is als een leraar deze drie lessen in de volgorde avaccheda-, pratimbimba-, ābhāsa vāda geeft. In volgorde van oplopende subtiliteit.
Conclusie: Het zijn alledrie modellen die ieder op zijn niveau iets duidelijk kunnen maken. Het moge duidelijk zijn dat ābhāsa vāda het model is dat de werkelijkheid het best benadert. Bewustzijn verschijnt schijnbaar (vivarta) door māyā en individuele onwetendheid als objecten aan zichzelf. Bewustzijn verschijnt niet werkelijk als objecten.
Dat ābhāsa uiteindelijk het meest accurate model is, uit zich in de aard van de voorbeelden. De mentale projectie van een slang op een touw of een mirage in de woestijn is veel subtieler dan de grovere spiegel-metafoor (pratibimba) of de nog grovere (brekende) pot metafoor.
Tevens stelt ābhāsa vāda dat avidyā een gevolg is van māyā, wat ook volstrekt logisch is. Īśvara's māyā is geen onwetendheid, avidyā is er het onmiddellijke schijnbare gevolg van. De entiteit die zintuigelijk een wereld ziet verschijnen, zal denken dat het echt is, en een onwetend leven lijden, tot deze kennis op haar of zijn pad komt.