Onophefbaar. Onontkenbaar. Onaantastbaar. Wat kan niet weggenomen (bādha) worden? Bewustzijn. Daarom is het zelf, ik, abādha, onontkenbaar en daarom vrij. Ook wel abādhita genoemd.
- abadha
Abādha kan zowel betekenen ‘dat wat niet verwijdert kan worden’ als 'dat wat niet gekweld, onderdrukt of lastiggevallen kan worden’. In vedānta richt men zich vooral op de eerste betekenis. Wat kan niet verwijderd worden? Antwoord: Dat wat altijd aanwezig is, om zaken te laten verschijnen. Het bestaan-bewustzijn zelf. Aangezien bewustzijn zonder eigenschappen en attributen is, geldt ook meteen de tweede betekenis, het op elke manier vrij van kwellingen.
Laten we eens kijken vanuit mijn individuele perspectief. Is dat mijn lichaam? Nee, het lichaam is bādha, ophefbaar. Een ongeluk, een ziekte, ja de dood zelfs, zit in een klein hoekje. Voor je het weet is het lichaam weer weg, verhaaltje uit. Is het mijn geest? Nee, de geest is ook bādha. Als ik een hersenbloeding krijg of dementie, of alle herinneringen in het subtiele lichaam worden gewist bij de dood van het lichaam, of in de droomwereld is er niet veel over van de persoonlijkheid in de waaktoestand.
Zoals ik als geïdentificeerd persoon niet uit dit lichaam kan ontsnappen (mensen met suïcide gedachten, hebben wel die neiging), is er geen ontkomen aan bewustzijn. Het is, is altijd geweest en zal ook altijd onveranderd zijn wat het ook is. De Engelse uitdrukking is: Ye cannot jump out of ye skin.
Er is een aanwezigheid die altijd hetzelfde is. Zelfs in diepe slaap is er een aanwezigheid die de afwezigheid van objecten doet schijnen. Die aanwezigheid is onophefbaar. Ik ben dus aanwezig bij alles wat mijn persoon meemaakt.
De stelling van vedānta is dat dat zelfs over vele levens zo is. Het is niet zo dat er een of ander bewustzijn aan komt fladderen en dan in de foetus of baby kruipt. Nee lichaam en geest verschijnen in het bewustzijn dat ik altijd al geweest moet zijn. Waarom? Omdat dat 100% stabiele, zelf-evidente, gelijkmatige aanwezigheid is, dat niet beweegt. Mijn persoon is in bewustzijn verschenen, en zal er weer in opgaan, net zoals het elke nacht ongemanifesteerd raakt. Daarbij is bewustzijn onveranderlijk, dus kunnen we alleen maar van de schijnbare geboorte van het lichaam spreken, niet van echte geboorte.
Vedānta bevestigt dit niet alleen, maar stelt dat die aanwezigheid de non-duale waarheid van alles is, het bestaan en bewustzijn zelf. Het is suf om te spreken over ‘andermans’ bewustzijn of ‘mijn’ bewustzijn. Bewustzijn is bewustzijn. Eén bewustzijn.
In vedānta kringen wordt bādha, negatie ook wel vertaald met sublatie. Dit wordt over het algemeen vertaald als absorptie. De Duitse filosofische term aufheben (Hegel), opheffen drukt dit mooi uit. Dit opheffen betekent een object cognitief (met kennis) laten opgaan in een subtieler geheel. Alsof het object geabsorbeerd wordt in zijn origineel. Het object gaat op zijn oneindig subtiele substraat, bewustzijn, dat op zichzelf staat. Dit doen we bij de mithyā teaching, door een object terug te herleiden naar zijn substraat. Bijvoorbeeld een hemd, katoen, vezels, moleculen, atomen, quarks, bosonen, golven, velden, ruimte, concepten, informatie, kennis, de pure kennis van puur bewustzijn. Waarom kan ik objecten mentaal laten opgaan in het ‘grotere’, subtielere. Omdat het uiteindelijk niets anders is dan een uitdrukking van dit subtiele substraat bewustzijn. Bewustzijn verandert zich niet werkelijk ergens in, dit lijkt (vivarta) maar zo.
Is ontkennen dan nihilisme, iets negatiefs? Nee, in tegendeel. Met negatie/ ontkennen bedoelen we in vedānta juist het toekennen van het mooiste van het mooiste aan alles wat ook maar iets is. Opheffen is zo het verheffen in de mind tot ik de werkelijke status van verschijnselen ken. Verheffen klinkt al veel mooier dan negeren of opheffen. Sublatie wordt zo sublimatie, een schitterend beeld op de werkelijkheid.
Dit kan ook gerust bij onbewuste, ‘dode’ spullen. Ik kan bewustzijn in een tafel zien, omdat ik het weet! Dat is de kracht van kennis. Een object is niets anders dan zijn dragende substantie, bewustzijn.
Dit opheffen is dus gewoon een cognitieve move, waarbij ik kennis inzet. In werkelijkheid wordt er niets opgelost, want er zijn nooit werkelijk dingen ontstaan, geboren of geschapen dan bewustzijn-bestaan zelf. We denken dat we met ‘het probleem’ van een wereld zitten, dus moeten we schijnbaar aan de slag.
Is opheffen dan maar alles wegdenken? Dat gebeurt al snel als je met neti neti (niet dit, niet dit) werkt. Maar dan heb ik kans dat ik op nihilistische wijze, met leegte blijf zitten (een beetje de valkuil van boeddhisme). Nee, we halen niks weg, maar herkennen eerst dat iets niet is, wat het lijkt dat het is, en herkennen dan de volheid van mijzelf erin. Opheffen, verheffen is het licht zien in duistere materie. En ‘zien’ doe je door het licht te ‘zijn’. En zien doe je door te weten, dat materie je niet werkelijk bedekt. En zien betekent weten dat materie niets meer is dan licht. Opheffen is het verheffen van de schijnbare deken van materie, tot het licht dat het werkelijk is. Dit licht schijnt al in zijn volle glorie, alleen vreemd genoeg moet ik dit eerst weten om de volheid ervan te ervaren.
Sublimeren kunnen we ook door de weg van grof naar subtiel af te leggen. Het grove lichaam, het subtieler lichaam, via het nog subtielere gebied van het causale lichaam, tot dat wat zo oneindig subtiel is dat we eigenlijk niet meer van subtiel kunnen spreken: de niet op te heffen (abādha) werkelijkheid bewustzijn. Wat verschijnt mogen we gerust negeren (neti neti), ook al blijft het bestaan als bewustzijn.
Een andere manier om ernaar te kijken. Over het algemeen lopen we in het leven aan tegen een gevoel, dat we nergens werkelijk houvast vinden in het bewegelijke bestaan. Dat geeft onveiligheid. Dan vragen we ons af: Kan ik dan nergens opbouwen? Is er dan niets substantieels? Wel, zodra vedānta mij vertelt over de ene stabiele aanwezigheid, die ik niet kan ontkennen, raak ik geïnspireerd. Als ik dan ook nog begrijp dat die aanwezigheid zonder begin en einde is. En dat ik dus niet geboren kan zijn. Alleen een of ander lichaam en geest zijn geboren. Ik ben het bestaan zelf van dat lichaam dat zal vergaan. Dat ik enig ben als dat bewustzijn-bestaan, stelt me oneindig gerust.
En zal ik mijn zelfstandigheid en onafhankelijkheid inzien. Die stabiliteit blijkt dus het zelf te zijn. Na een periode van gewenning aan dit non-duale zelfbeeld, wordt het zelf-evident dat ik het enige bewuste wezen ben, het bewuste wezen van alles. Vedānta vertelt ons dat dit zelf het bestaan van alles is. En dat alles niets anders is dan dat.
Is t niet heerlijk? Het enige waar ik werkelijk zeker van kan zijn is mijn pure zelf. Zo kan ik oneindig op mijzelf bouwen. De reflectie hiervan, het persoontje, mag gerust meeliften op dit zelfbeeld, omdat het in werkelijkheid ook niets anders is dan dit bewustzijn. Dus mag ik vol en volledig zelfverzekerd zijn.
Maar we kunnen niet zeggen dat er niets is. Hoe kan iets uit niets komen? Voor de schepping er was, moest dat wat niet ontkent of opgeheven kan worden er al zijn geweest. Ik moest er al zijn geweest. Dat wat altijd onafhankelijk het substraat van alles is (satya). Dat wat altijd gewoon (sādhāraṇa) aanwezig is. Dat ‘waarbuiten’ niets is. Er bestaat dus geen niet-bestaan. Het enige dat is, is dat wat nooit werkelijk enige verandering heeft doorgaan. Dat is brahman of ātman als de oorzaakloze oorzaak. Dat wat alles schijnbaar mogelijk maakt is gewoon, en zal zijn. Deze drager van al het schijnbare is zelf onopzegbaar.
De conclusie is dat ik niet kan vergaan (abādhita). Nu ik dit weet, kan ik voor eeuwig in vrede zijn als mijzelf.