De deugden (sampat) van een demon (asura). Een mind, met een dergelijk waarden patroon zal dominant rajas en tamas guṇa in zich dragen, de respectievelijk projecterende en verhullende energie.
- asura sampat
Dit zijn deugden als vijandschap, boosheid (vanwege angst), gemeenheid, maar ook arrogantie, trots, niet zeggen wat ik denk, (zelf)sabotage en perversie.
De demon projecteert psychisch, is egocentrisch, is zwaar van gemoed en ervaart de druk van het bestaan, en dat verhindert een goede ontvangst van zelfkennis.
We hebben allemaal een godheid en een demon in ons. Het gaat erom het innerlijke instrument zo te trainen op een gezond (lees dharmisch of goddelijk) waarden patroon, dat de mind vredig wordt. Waarom vredig? Een mind die uitgelijnd is met hoe īśvara de transactionele werkelijkheid (vyāvahārika) heeft bedoelt, zal zichzelf kunnen begrijpen als gelijk aan īśvara (als brahman, de waarheid van zowel als īśvara).
Immers de dharma van īśvara is de sleutel van de poort om de kennis van vedānta te begrijpen.
Bhagavad Gītā hoofdstuk 16 zet de daivi sampat af tegen de asura sampat, demonische waarden als boosheid.
Hier wordt gezegd dat degene die de dharma leeft, een goddelijk wezen is, rijp voor de zelfkennis die tot vrijheid leidt. Iemand die een demonisch leven leidt, zal karmisch lijden en door moeten strijden in saṁsāra.