VEDANTA

Wetenschap van Bewustzijn

Deze teaching is bedoeld om de relatie tussen het individuele perspectief en het totale perspectief te verhelderen.

Dit kan begrepen worden met voorbeelden: goud is het samaṣṭi perspectief van het goud van een ring. De totale ruimte is het samaṣṭi perspectief van de ruimte in een pot. En de oceaan is het samaṣṭi perspectief van oceaangolven. Goud, ruimte en oceaan zijn natuurlijk geen aspecten maar substraten of diepere substanties van de vormenrijkdom waarin ze zich uitdrukken. Zo omvat, ondersteunt of belichaamt samaṣṭi altijd vyaṣṭi, de individuele, lokale expressie of manifestatie ervan.

Het perspectief als een enkel levend wezen (jīva) heet vyaṣṭi, het totale plaatje (īsvara) heet samaṣṭi.

Interessant en belangrijk: De relatie tussen het geheel en het deel is er een van substantie, niet van aantal, afmeting of tijd! Als je een golf aanraakt, wordt de hele oceaan aangeraakt. Alles is terug te brengen tot bewustzijn, de enige waarheid. Een lichaam bestaat uit cellen, moleculen, kleinste deeltje, informatie, intelligentie, pure intelligentie-bewustzijn. Bewustzijn wordt vaak vergeleken met ruimte, maar bewustzijn is niet ruimtelijk. We weten niet wat bewustzijn is, en het doet er niet toe. Wat we wel weten is dat het non-duaal is. Vandaar dat ik, die als jīva beperkte kracht, ruimte kennis en manifestatie lijkt, het geheel ben!

De beroemde stelling van śaṅkara vertelt ons hoe het zit: Brahma satyam, jagan mithyā, jīvo brahmaiva nāparaḥ. Bewustzijn is de samaṣṭi, het geheel van zowel jīvātmā als īśvara-brahman, en dus zijn ze gelijk. Hoe kan dat? Omdat de jīva in werkelijkheid puur bewustzijn, brahman is. En omdat īśvara net zo puur bewustzijn is. Hoewel brahman letterlijk ‘groots’ betekent, kent het geen afmetingen, aantallen etc. Bewustzijn is bewustzijn. En alles, hoe klein of nietig (vyaṣṭi) ook, is dat. Het lijkt maar zo dat er een deel en een geheel is.

Elk individueel ding is dus een uitdrukking van een diepere werkelijkheid, dat het individuele draagt. Elk individueel ding blijkt dus in werkelijkheid géén onderdeel van een grotere werkelijkheid. Maar de onwetende beleeft dit wel zo, vanwege het concept ruimte.

Dit is wat advaita vedanta onderscheidt van alle andere visies. Een tafel is van hout. Hout van is vezels. Vezels bestaan uit moleculen. Moleculen atomen. Atomen, quarks, bosonen, strings. Kleinste deeltjes bestaan uit ruimte (!). Ruimte is een concept. Een concept is informatie. Informatie bestaat uit kennis, intelligentie. Kennis, intelligentie bestaat uit pure kennis en pure intelligentie. Pure kennis en pure intelligentie bestaan uit (puur) bewustzijn. En dat is altijd en overal het geval.

Daarom is alles bewustzijn, en zorgen de schijnbare wetmatigheden van māyā, bijvoorbeeld de de wetten van projectie, verhulling en karma, dat een persoon via zijn zintuigen in een individuele wereld leeft. Maar in zijn diepste grond (cit, brahman) is het individu gelijk het geheel. Dit geldt voor alles.

Ook voor iets mentaals als vriendelijkheid. Aardigheid is niet voor niets herkenbaar als de substantie of essentie van alle individuele daden van vriendelijkheid. Individuele personen vertonen dharmisch gedrag in één dharmisch goddelijk veld, en herkennen dat van elkaar. Dit komt omdat er geen ander is. Een gelukkig mens, gedraagt zich over het algemeen vriendelijk, omdat hij aansluiting begint te vinden bij de waarheid van gelukzaligheid (ānanda), het geluk van het volle bestaan. Geluk is gereflecteerde gelukzaligheid, begrijp je?

Mensen (vyaṣṭi) dragen zo automatisch hun steentje bij aan īśvara (samaṣṭi), omdat ze ontdekken dat dharma, dat wat alles draagt, geluk brengt. Lukt dit door onwetendheid en bijvoorbeeld de verwarring van hebzucht niet, dan krijg je adharma. Bij hebzucht projecteert de onwetende het geheel in zich op het nietige in zich, en denkt dat zij of hij daarbij wint. Maar de chronische ontevredenheid van levende wezens, betekent dat ze zich eerst oneindig tekort hebben gedaan, door onterecht te veronderstellen dat ze een individuutje zijn. Het enige dat daarmee gewonnen wordt, is meer onwetendheid. Ook dit is gemakkelijk te herkennen in de wereldse toestanden, en lijden.

De jñānī weet dat zij of hij heel, compleet en vol is.

Tot dit erkent wordt, zal jīva de individuele (vyaṣṭi) onwetendheid van de wetende īśvara (samaṣṭi) zijn. En kan ik mijn jīva maar beter overgeven aan het grotere. Karma yoga en upāsana is het weggeven over beperkende denkbeelden over mezelf aan het grotere. Dit kan ik pas goed doen, als ik ergens wel begrijp, dat ik nooit klein of een deel ben geweest.

Kennis hiervan helpt mij mijn diepere identiteit met īśvara als brahman te herkennen, zijnde de grootsheid van grenzeloosheid. Daarom betekent samaṣṭi niet totaal in de zin van som, maar totaal in de zin van de gehele diepere werkelijkheid. Dit lijkt een klein deel van de ruimte te zijn die een pot afsluit, maar feitelijk sluit de pot de ruimte helemaal niet af.

Het vaak gebruikte tegenargument van een op zichzelf staande boom in een bos is gebrekkig, aangezien een boom niet alleen kan bestaan, ver van welk bos dan ook. Alle dingen zijn verbonden door het dragende bewustzijn, omdat ze een uitdrukking zijn van deze diepere waarheid. Vandaar ook dat de hele kosmos, één organisme van wetmatigheden is, net zoals de wereldeconomie één grote, individueel onbestuurbare motor van groei en vernietiging is. Eén bewustzijn, één systeem, geen probleem.

Maar gezien het specifieke karma van deze jīva kan een boom zeker in een bos vallen zonder dat ik het zintuigelijk opmerk, of er geestelijk aan denk. Bewustzijn is overal. De mind en zintuigen van een individu, zijn niet overal. Hoe kan ik objecten in mijn droom ervaren, of het object-loze in diepe slaap ervaren, terwijl bewustzijn, gemanifesteerd als een andere persoon, het niet ervaart? Ook dat is geen probleem. Karma en onze zintuigen houden ons steeds voor de gek, en lijken de boel op te knippen. Maar als bewustzijn weet ik dat alles mezelf is.

Ik kan er niet omheen dat ik van alles hou. Waarom? Omdat ik als sat cit ānanda volledig sluitend van mijzelf hou.

Ook ben ik altijd geliefd, omdat ‘iedereen van zichzelf houdt’, omdat alles gericht is op zelfliefde en zelfbehoud. I citeer vers 2 uit de advaita makaranda van śrī lakṣmīdhara kavi: aham asmi sadā bhāmi kadācit nāham apriyaḥ

Ik ben. Voor altijd schijn ik. Nooit ben ik niet geliefd.

Schitterend!

De uitleg van deze Sanskriet term is geschreven door Simon de Jong.
Op de index pagina vind je de volledige Sanskriet begrippenlijst. 

Lorem ipsum dolor sit amet, consectetur adipisicing elit, sed do eiusmod tempor incididunt ut labore et dolore magna aliqua. Ut enim ad minim veniam, quis nostrud exercitation ullamco laboris nisi ut aliquip ex ea commodo consequat. Duis aute irure dolor in reprehenderit in voluptate velit esse cillum dolore eu fugiat nulla pariatur. Excepteur sint occaecat cupidatat non proident, sunt in culpa qui officia deserunt mollit anim id est laborum.

Meld je aan voor de nieuwsbrief
(verschijnt hooguit enkele malen per jaar)

Eerder verschenen nieuwsbrieven
– oktober 2024  (
Dutch)
– october 2024  (English)